Share PDF

Search documents:
  Report this document  
    Download as PDF   
      Share on Facebook

Samenvatting Persoonlijkheidsleer

door

Charleysue

De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Koop en Verkoop al je samenvattingen, aantekeningen, onderzoeken, scripties, collegedictaten, en

nog veel meer..

www.stuvia.com

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Persoonlijkheidsleer.

Hoofdstuk 1.Persoonlijkheidstheorie

Persoonlijkheidstheorie, van alledaagse observaties naar systematische theorieën.

Definitie:

De persoonlijkheidsleer houdt zich bezig met de verschillen tussen mensen: waarom is de een meer stressgevoelig dan de ander? Ze ziet de mens in totaliteit en bestudeert niet een enkel psychologisch aspect, maar het complexe geheel van aspecten en hun onderlinge relaties.

Distinctive: waarvan de een van de ander verschilt. Je zegt niet: als er iets kuts gebeurd voel ik me verdrietig en als er iets vrolijks gebeurd dan ben ik vrolijk. Dit is namelijk iedereen!

Welke vragen moet de psycholoogbeantwoorden? Hoe, waarom en wat.(what they are like, how they became that way, why they behave that way?)

Persoonlijkheid: de eigenschappen van mensen die zorgen voor consistentie in gedragspatronen (denken, voelen en zichtbaar gedrag).

Als het om persoonlijkheidsleer gaat komt al gauw de vraag boven waarom mensen verschillen. Het bestudeert dus de mens in eigenheid en complexiteit. De methoden bestuderen de verschillen van mensen en de betekenis ervan.

Researchmethoden zijn: - systematischer vrij van vergissingen.

vrij van vooroordelen.

De centrale vraag is: waarom zijn we zoals we zijn. Het gaat om de menselijke natuur en individuele verschillen. Waarom doet/denkt de een zo, en de ander weer anders. Het gat om de totale mens, hoe verschillende aspecten relateren aan anderen. Niet hoe de perceptie is, maar hoe mensen daarin verschillen en de relatie met hun hele functioneren. Het gaat dus niet alleen om psychologische processen, maar ook over de relatie tussen deze processen. De interactie en intergratie is meer dan de som van de feiten op zich.

Persoonlijkheidsleer gaat over karakteristieken van mensen die behoren bij het vaste deel van gedrag, het voelen en het denken. Het gaat erom hoe ze zich verhouden tot elkaar en hoe ze een uniek persoon vormen. Het zoekt naar vaststaande regelmatigheden in deze processen.

Persoonlijkheidsleer gaat dus over het wat, het hoe en het waarom. Het wat gaat om welke de karakteristieken zijn en hoe ze zijn georganiseerd in relatie tot elkaar. Het hoe gaat om de determinanten van iemands persoonlijkheid en het waarom wat de reden van het gedrag is.

We willen dus weten wat er bij mensen speelt, hoe dat is gekomen (genetisch, omgeving) en waarom ze bepaald gedrag vertonen (gedragsdeterminanten zoals motivatie).

Er zijn 5 gebieden om de theorie te omschrijven: De structuur.

Het proces.

De groei en ontwikkeling. De psychopathologie. De verandering.

Ad. 1. de structuur.

Dit gaat om min of meer stabiele en blijvende aspecten van de persoonlijkheid, zoals stimulus-response verbinding,

Gewoonte.

Karaktertrekken.

Persoonlijkheidstype (verzameling trekken)

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

De menselijke hersenen zijn complexer dan die van andere levende wezens, er zijn meer delen, meer linken en regelen meer andere delen van het lichaam.

Theorieën verschillen in het aantal en soort van structurele eenheden en in de mate van complexiteit daarvan.

Ad. 2. Het proces.

Behelst het waarom van het samenspel tussen de structurele eenheden, de grove motivatie van gedrag. Zijn mensen spanningzoekers of juist vermijders? ( bv. Afname rotgevoelens of stimuleringsmodel, bv eten bij honger)

Plezier of hedonische motieven. Groei en zelfactualisering. Cognitieve motieven. Prestaties, willen scoren.

Ad. 3. Groei en ontwikkeling.

In de tijd verandert de structuur, 'ontwikkeling', en dus ook het proces; een baby vertoont ander gedrag dan een volwassene.

Verantwoordelijk daarvoor zijn: omgevingsfactoren (cultuur, sociale klasse, gezin) en genetische determinanten (bij intelligentie en temperament bv) en hun reciproke samenspel.

Nature – nurture (invloed genen versus omgeving)

Dit heeft te maken met de cultuur, de sociale klasse, de familie. Immers door gedrag van de ouders wordt bepaald gedrag in de kinderen geactiveerd, daarnaast geeft voorbeeldgedrag mogelijkheden voor identificatie van de kinderen met de ouders en de ouders selecteren gedrag wat wel en niet geaccepteerd wordt.

Verschillen binnen een gezin ontstaan omdat de kinderen naast verschillende ervaringen binnen het gezin (bv plaats in de kinderrij) ook de ervaringen verschillend ervaren. Maar ook de ervaringen buiten het gezin zijn verschillend. De invloed van de groep waarbinnen kinderen zich bewegen heeft vooral voor de latere ontwikkeling veel invloed.

Het genetische materiaal en de omgeving beinvloeden elkaar. Wat aangeboren is bepaald het raamwerk waarbinnen men zich kan bewegen. Het geeft de limieten aan door bv een talent. De omgeving specialiseert het en ontwikkelt het. Op een druk kind wordt anders gereageerd dan op een stil kind en zo ervaren ze verschillend en ontwikkelen ze zich verschillend.

Ad. 4 en 5. Psychopathologie en gedragsverandering.

Een goede theorie moet ook komen met analyses waarom de een wel en de ander geen pathologie ontwikkeld, waarom de een wel en de ander niet zijn gedrag verandert.

Tenslotte, een persoonlijkheidstheorie is niet compleet als ze geen wegen aangeeft hoe gedrag te veranderen (psychotherapie).

Motivationele dynamiek die aan de persoonlijkheid ten grondslag ligt:

Plezier of hedionistische motieven → plezier en genot en vermijding van pijn zijn belangrijk Groei of zelfverwezenlijking → de wil om te ontwikkelen is belangrijk

Cognitieve motieven → iemand wil gebeurtenissen voorspellen en begrijpen.

Belangrijke onderwerpen in de persoonlijkheidsleer.

Het filosofische standpunt over de mens verschilt; de een ziet hem als persoon met vrije wil, de ander benadrukt het determinisme. De een ziet het grootste belang in externe determinanten, de ander benadrukt interne determinanten, de persoon-situatie controverse. Mensen denken en handelen alsof ze een individu zijn, een 'zelf' hebben, een georganiseerd geheel. Maar dat 'zelf' blijkt moeilijk of niet toegankelijk voor onderzoek.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Theorieën leggen de nadruk op affect, cognitie of openlijk gedrag (behaviorisme) en verschillen in het aangeven van causale relaties.

Interne en externe determinanten van gedrag.

Hoe consistent is de persoonlijkheid van situatie tot situatie? Dit is af te leiden uit het gedrag, hoe men zich uit. Je ziet dit in de patronen van een mens, zijn organisatie en hoe hij alles integreert.

Het concept van wie we zijn:

Bewustzijn van onszelf is het gevolg van onze ervaringen.

Ons gedrag wordt sterk beïnvloed door hoe we over ons zelf denken.

Hoe we ons uitdrukken wordt beïnvloed door hoe we georganiseerd zijn en hoe we alles geïntegreerd hebben.

Bewustzijn: We zijn ons niet altijd bewust welke factoren ons gedrag beinvloeden. Denk maar aan een verspreking, het je ineens weer iets herinneren en zo.

Cognitie, gevoel en duidelijk gedrag. Wie beïnvloedt wie, wie is het gemakkelijkste van de 3 te veranderen?

Het zicht op het verleden, het heden en de toekomst heeft ook invloed op ons gedrag, theoretici zeggen dat alleen factoren in het heden van invloed kunnen zijn op ons gedrag, maar het heden kan beïnvloed worden door het verleden. Zorgen maken om het verleden en de toekomst heeft wel degelijk invloed op ons gedrag nu. Het gaat er dus om vroegere ervaringen en voorgevoelens en verwachtingen voor de toekomst op te merken en te kijken wat de invloed ervan op het heden is.

De vraag van het wat, hoe en waarom van het menselijk gedrag( functioneren) omschrijft 7 gebieden: de filosofische kijk ven een persoon.

De relatie tussen innerlijk(persoonlijk) en uiterlijke (situationele) invloeden in het beschrijven van gedrag)

Consistentie van een persoonlijkheid ten opzichte van de situatie en in de tijd. Concept van het zelf ten opzichte van de organiserende aspecten van het persoonlijk functioneren

Diverse niveaus van bewustzijn en het onderbewuste. Relaties tussen gevoel, denkvermogen en gedrag.

Rol van het heden, verleden en de toekomst in het regelen van het gedrag.

Theoretici maken de theorie meer expliciet en testen het systematisch. Orde en regelmaat geven ons de kans om op situaties te reageren, anders ontstaat er chaos. We moeten vaak snelle beslissingen nemen, we maken fouten en moeten corrigeren.

De criteria voor een goede evaluatie zijn: uitgebreidheid (veelomvattend), spaarzaamheid (sober) en toepasbaarheid van de betekenis.

Filosofische visies over de menselijke aard die onderliggend zijn aan de verschillende persoonlijkheidstheorieën.

De visies zijn: de rationele visie (de mens redeneert, kiest en beslist), de animale visie (de mens is gedreven en irrationeel), de machine visie (de mens reageert automatisch op externe stimuli) en de computer visie (de mens als informatieverwerker)

Persoon-situatiecontroverse: De een ziet het grootste belang in externe determinanten, de ander benadrukt interne determinanten.

Evaluatie van theorieën

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Er zijn drie criteria om de waarde van een theorie te beoordelen, waarvan twee de organisatie van gegevens betreffen: een veelheid van belangrijk gedrag moet verklaard worden en dat op een simpele, consistente manier. Het derde criterium: de theorie moet empirisch toetsbaar zijn

Theorieën van persoonlijkheidsleer kunnen worden geëvalueerd in termen van de hoeveelheid gegevens die men kan onthouden op een simpele manier en in termen van hoe bruikbaar ze zijn om ons te helpen gebeurtenissen te voorspellen en uit te leggen.

Uitgebreidheid.

Omvatten en bevatten veel gegevens. Alle gebieden van gedrag.

Bevat aantal en betekenis van onderdelen die bij de theorie horen, wel exact in wat het bereik is.

Bandbreedte en betrouwbaarheid omvatten de criteria van overweging. (Bv een goede radio pakt veel signalen ( bandbreedte) en met helderheid voor elke zender)Het is dus veelomvattend en gespecialiseerd.

Simpel, sober.

Veelomvattend en spaarzaam, sober, simpel, dan wordt het dus abstract. Het moet gerelateerd zijn aan het bestudeerde gedrag. Onderzoeksrelevantie:

Is het bruikbaar of niet.

Volgen er nieuwe hypothesen uit.

Empirische vertaling (Hall en Lindzey) Theorie moet duidelijk en helder zijn, expliciet, een uitbreiding van de kennis geven en een voorspellende kracht hebben.

Theorie is belangrijk voor het begrip en uitleg van menselijk gedrag.

Hoofdstuk 3 De psychoanalytische theorie van Freud

Sigmund Freud (1856 – 1939) werd geboren in Wenen. Eerste zoon uit het tweede huwelijk van zijn vader met een 20 jaar jongere vrouw. Lievelingetje van z‟n moeder, studeerde medicijnen en was onder de indruk van Ernst Brucke, een beroemde fysioloog die mensen zag als een dynamisch energiesysteem. Afgestudeerd werkte Freud en deed onderzoek in de neurologie (vergeleek volwassen en foetus hersens). Hij concludeerde, parallel aan zijn latere persoonlijkheidstheorie, dat de vroege structuren blijven.

Freud was af en toe depressief, had angstaanvallen en gebruikte cocaïne als medicijn. In 1886 maakte Freud bij Jean Charcot kennis met hypnose. In 1897 stierf zijn vader en werden de depressies zo zwaar dat Freud met zelfanalyse begon. Vanaf 1890 probeerde hij hypnose, catharsis (door erover te praten, de emoties vrij laten stromen) en concentratie op zijn patiënten uit. In 1896 kwam een doorbraak met de vrije associatie (alle gedachten mogen zonder hindernis of aanpassing bovenkomen). In 1900 kwam hieruit zijn belangrijkste boek voort: de interpretatie van dromen. In 1902 richtte Freud de Psychoanalytische Society op, in 1904 verscheen „‟De Psychopathologie van het alledaagse leven‟‟, in 1905 “”Drie essays over de seksuele theorie””.

Door dit laatste boek (waar Freud zijn theorie uiteenzet over seksualiteit van kinderen en die relatie met perversies en neurosen) werd hij door sommigen als verdorven en obsceen of gewoonweg belachelijk gevonden.

Na de Eerste Wereldoorlog en het verlies van zijn dochter, ontwikkelde Freud de theorie van de doodsdrang, de tegenhanger van de overlevingsdrang.

Factoren in zijn persoonlijke leven en bijbehorende historische factoren (de Victoriaanse Tijd, de 1e Wereldoorlog en Antisemitisme) speelden een rol in de uiteindelijke formulering van zijn theorie en de ontwikkeling van de psychoanalytische beweging. Freud‟s theorie is gebaseerd op

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

observatie, maar voornamelijk van middle en upper-class patiënten in de Victoriaanse Tijd.

Freud‟s kijk op mens en maatschappij

Psychoanalyse heeft veranderende waarden in onze maatschappij weerkaatst en ook een rol gespeeld bij deze veranderingen. Volgens de theorie is gedrag een resultaat van gevechten en compromissen tussen motieven, drijfveren, behoeften en conflicten. Het doel van elk gedrag is plezier, ofwel de vermindering van spanning of het loslaten van energie. De eisen van de maatschappij en buitenwereld staan haaks op deze plezierdrang. De energie - die zou kunnen worden losgelaten en bevredigd - moet worden ingehouden en gekanaliseerd om in de maatschappij te passen. De mens is een energiesysteem, waar de energie stroomt of vast komt te zitten en dan uiteindelijk een zijweg moet nemen. Achter deze gedachte zit de idee dat mensen worden gedreven door seksuele en agressieve driften. Alle gedrag is bepaald, doorgaans door krachten buiten het bewuste. Psychoanalyse kiest de kant van de driften/instincten en wil dat die zo min mogelijk worden gefrustreerd.

Psychoanalyse: een theorie over de persoonlijkheid

Twee conceptuele structuren die de basis vormen van de psychoanalytische theorie: De eerste structuur betreft de verschillende niveaus van bewustzijn en de

tweede betreft de concepten id, ego en superego

„‟Psychoanalyse streeft naar ontdekking van het onbewuste in het mentale leven‟‟, zei Freud.

Het concept van verschillende lagen van bewustzijn was de focus van het eerste psychoanalytische denken. Er is bewustzijn, voorbewustzijn (als we er aandacht aan besteden, wordt het bewust) en onderbewustzijn (waar we alleen onder speciale omstandigheden van bewust kunnen worden). De psychoanalyse zegt dat veel gedrag gemotiveerd wordt door het onderbewustzijn. We houden zaken onderbewust omdat ze anders teveel pijn zouden doen of anderszins onprettige (anxiety) gevoelens oproepen. Door versprekingen, misvattingen, ongelukken en gedrag dat niet bij het karakter past, komt het onbewuste naar buiten.

In 1960/70 kwam er experimenteel bewijs van het onderbewuste met wat heet: onderbewuste waarneming (subliminal perception). Mensen kregen zo snel iets te zien, dat het nauwelijks waarneembaar was. Bij het natekenen bleken ze het toch te hebben waargenomen. Daarnaast bleek te bestaan: afweer waarneming (perceptual defense) een proces waarbij de waarnemer afweer heeft tegen de onprettige (anxiety) gevoelens die een stimulus oproepen. Meer recent is er onderzoek gepleegd naar onderbewuste psychodynamische activering (subliminal psychodynamic activation). Hier worden onbewuste wensen gestimuleerd, zonder die bewust te maken.

Op het moment zijn de meeste psychologen het er wel over eens, dat het onderbewustzijn belangrijke invloed heeft op waar onze aandacht naartoe gaat en hoe wij ons voelen. Naast de psychoanalytische kijk onderscheiden we de cognitieve zienswijze.

Psychoanalytische

Cognitieve

Nadruk op onlogisch, irrationeel, onderbewust

geen fundamenteel verschil tussen

proces

bewuste en onbewuste proces

Nadruk op motieven en wensen

Nadruk op het motiverende aspect van Onbewuste functioneren

Nadruk op gedachten

Aandacht op niet gemotiveerde kanten van onbewust functioneren

In 1923 kwam Freud met een meer formeel structureel model voor psychoanalyse en introduceerde de begrippen Id, ego en Superego.

Het Id vertegenwoordigt de bron van alle drift energie (overlevings- en doodsdrang, seksuele en agressieve driften). De Id zoekt naar plezier en probeert pijn te vermijden. Het kent geen rede, moraal, waarden of ethiek, is veeleisend, impulsief, asociaal en op zichzelf geconcentreerd.

In tegenstelling tot de Id staat het superego. Dit vertegenwoordigt ons morele besef, bevat onze idealen en onze schuldgevoelens als we onze ethische code hebben overtreden. Het superego

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

controleert het gedrag opdat het in overeenstemming is met regels van de maatschappij. Het biedt ook trots en eigenliefde als beloning voor goed gedrag. Als straf zijn er de genoemde schuldgevoelens, minderwaardigheidsgevoel en ongelukken. Het superego is primitief en niet goed in staat acties aan omstandigheden aan te passen. In dit geval kan een mens actie en gedachte niet goed onderscheiden en voelt zich bijvoorbeeld al schuldig door de gedachte aan iets verbodens. Zwart/wit denken en alles of niets oordelen horen ook bij het superego. Soms is het superego ook flexibel, bijvoorbeeld als mensen zichzelf of anderen kunnen vergeven omdat iets een ongeluk was.

De functie van het ego is om de wensen van het Id tot uiting te brengen en te bevredigen, in overeenstemming met de realiteit en de eisen van het superego. Dankzij de realiteitszin van het ego kan de bevrediging van lusten en instincten worden uitgesteld tot een moment waarop maximaal plezier behaald kan worden en zo min mogelijk pijn of negatieve gevolgen. De realiteitszin zorgt ervoor dat de energie van de Id geblokkeerd, omgeleid of geleidelijk tot uiting komt. Het ego kan wens van fantasie scheiden, kan spanning aan, sluit compromissen en verandert en zoekt naar realiteit. Freud vergeleek de relatie tussen ego en id als die tussen paard en berijder. De berijder bepaalt, normaal gesproken, waar de rit naartoe gaat en leidt het paard. Vaak genoeg gaat het paard er echter met de berijder vandoor.

Vlak voor zijn dood begon Freud meer aandacht aan het belang van het ego voor de persoonlijkheid te besteden. Zijn dochter Anna borduurde verder met de egopsychologie en benadrukte het belang van het ego bij het oplossen van conflicten en aanpassing. Volgens de egopsychologie schept het ego plezier in meester zijn over de zaken. R.W. White noemt dit competence motivation vrij vertaald als motivatie door competentie.

Concepten als bewustzijn, onderbewustzijn, Id, superego en ego zijn abstract en niet in exacte definitie te vatten. Naarmate de psychoanalyse zich als theorie ontwikkelde veranderde de inhoud ook soms. Bedenk ook dat we natuurlijk geen echte energiefabriek zijn en ook genoemde concepten geen meetbare grootheden zijn.

.

Overlevingsdrang en doodswens

Volgens de psychoanalyse ligt de bron van alle psychische energie in de staten van opwinding die binnen het lichaam naar expressie zoeken of spanning vermindering.

Deze staten noemen we instincten of drijfveren, het zijn constante, onvermijdbare, krachten In de vroeger kijk zijn de instincten van het ego en hebben te maken met in standhouding van het zelf en seksuele instincten. Later werd daar de overlevingsdrang aan toegevoegd, die het eerdere ego omvatte en de seksuele instincten en ook de doodswens. De overlevingsdrang werd ook wel libido genoemd. De doodswens is en blijft controversieel en het minst geaccepteerd van de theorie. Zowel de seksuele als de agressieve instincten worden gezien als onderdeel van het Id. In de psychoanalyse worden de instincten gekenmerkt als er naar strevend om onmiddellijk spanning te verminderen, om bevrediging te krijgen en plezier. In tegenstelling tot lagere diersoorten kunnen mensen hun verschillende instincten op veel verschillende manieren bevredigen. Ook kan het instinct worden uitgesteld of aangepast, voordat het wordt losgelaten.

De dynamiek van functioneren

Affectie kan een aangepaste vorm zijn van het seksuele instinct. Sarcasme een aangepaste vorm van het agressieve instinct. Elk instinct kan veranderd worden of aangepast, ze kunnen ook met elkaar gecombineerd worden. Voetbal is zowel agressief als seksueel instinct. Operatie is liefde en vernietiging samengevoegd. Het spel tussen uitdrukking en onderdrukking van de instincten vormt de basis van de psychoanalyse. De sleutel is het concept van anxiety. Anxiety is een pijnlijke emotionele ervaring die een gevaar of dreiging inhoudt. In het geval van de „free-floating‟ anxiety kunnen mensen de spanning niet herleiden tot een extern object. Dit in contrast tot bij angst, als de bron van spanning bekend is.

Freud had twee theorieën over anxiety. In de eerste zag hij het als opgepot libido. Later was het een pijnlijke emotie, die als waarschuwingsvlag werkte voor het ego. Anxiety is een herhaling van een eerdere traumatische ervaring, maar dan in mini-uitvoering. Soms kan iemand zich het oorspronkelijke trauma niet eens herinneren. Anxiety ontstaat door een conflict tussen de Id (ik wil), het superego dat dreigt met straf (oh, vreselijk) en het ego dat zegt: ik ben bang.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Anxiety en afweermechanismen

Afweermechanismen bestaan omdat anxiety niet lang te tolereren is. Een van de meest primitieve is projectie. Liever dan de kwaadaardigheid van het zelf, ziet iemand de kwaadaardigheid in anderen. In extreme gevallen ziet iemand zichzelf als vol deugden en goedheid. Alle gevoelens die onacceptabel zijn, worden geprojecteerd worden op de buitenwereld of andere mensen. Die zijn kwaadaardig en slecht.

Een ander afweermechanisme is ontkenning. Ontkenning wordt vaak gebruikt als mensen vermijden om de totale omvang van een dreiging of gevaar onder ogen te zien. Bijvoorbeeld “óh nee‟, als je hoort van een vreselijk ongeluk. In sommige gevallen, zeggen psychologen, kan ontkenning nuttig zijn. Het kan helpen als het emotionele trauma te groot is (als iemand hoort ongeneselijk ziek te zijn bijvoorbeeld). Aan de andere kant is het slecht als iemand bijvoorbeeld niet naar de dokter gaat en ontkent dat er een bobbeltje in de borst zit.

Bij isolatie laat iemand een gedachte, actie of impuls wel toe tot het bewustzijn, maar de bijbehorende emotie wordt geblokkeerd. Iemand fantaseert bijvoorbeeld dat hij z‟n kind wurgt.

Mensen die isolatie gebruiken hebben ook vaak ongedaan maken in hun arsenaal van afweermechanismen. Door nepmagie wordt de ene daad door de andere ongedaan gemaakt. Reactie-formatie is als iemand een onacceptabele impuls vervangt door de tegenovergestelde. Dit is de model-leerling die zijn ouders doodschiet.

Studenten gebruiken graag rationalisatie. Hierbij wordt gedrag opnieuw geïnterpreteerd zodat het acceptabel en redelijk lijkt. Iemand kan hierdoor immoreel zijn terwijl hij normen en waarden predikt.

Belangrijkst afweermechanisme vindt de psychoanalyse onderdrukking. Hier wordt een gedachte, idee of wens gewoonweg uit het bewustzijn gedrukt. Naar onderdrukking is de meeste experimentele research gedaan. Mensen die onderdrukking als favoriet afweermechanisme hebben, rapporteren weinig negatieve effecten en hebben relatief stereotype emotionele reacties. Ze veranderen niet graag, zijn relatief kalm, maar wel voor een prijs. Fysiologisch reageren ze heftiger op stress dan niet-onderdrukkers en lijken gevoeliger voor een variatie aan ziekten. De vrolijkheid van de onderdrukker maskeert hoge bloeddruk en snelle polsslag. Hoewel praktiserende psychoanalysen onder de indruk zijn van onderdrukking, zijn in een gecontroleerde laboratorium situatie nog geen bewijzen voor onderdrukking gevonden.

Laatste afweermechanisme is sublimatie. Hier komt een hoger cultureel doel op de plaats van het oorspronkelijk object waar bevrediging voor wordt gezocht. Het instinct wordt gekanaliseerd in iets nieuws en nuttigs. Een psychiater kan bijvoorbeeld iemand zijn, die zijn gluurderdrang sublimeert. Volgens Freud lag de essentie van de beschaving in de mate waarin mensen slagen om seksuele en agressieve instincten te sublimeren.

Groei en ontwikkeling

De theorie van psychoanalyse zegt ten eerste dat een mens verschillende fasen van ontwikkeling doormaakt. Ten tweede benadrukt de psychoanalyse het belang van vroege gebeurtenissen op later gedrag. In het extreemste standpunt wordt beweerd dat in de eerste vijf levensjaren, de meest belangrijke kenmerken van de latere persoonlijkheid worden gevormd.

Psychoanalyse onderscheidt een primair- en secundair denkproces. Primair denkproces is in de taal van het onderbewuste waar fantasie en realiteit niet te scheiden zijn. Denk bijvoorbeeld aan dromen. Slapend kan van alles gebeuren, wat als je wakker bent onmogelijk is. Het secondaire denkproces is bewust en aan de realiteit getoetst. Parallel aan het secundaire denkproces is de ontwikkeling van superego en ego. Met de ontwikkeling van het ego wordt de mens minder op zichzelf geconcentreerd.

Recent (1994) heeft Epstein onderscheid gemaakt tussen experimenteel denken en rationeel denken. Het eerste wordt geassocieerd met gevoel en ervaring, het tweede met intellect. Experimenteel denken wordt, net als het primaire denkproces, geklasseerd als behorend bij een vroeg ontwikkelingsstadium. En als holistisch, concreet en zwaar beïnvloed door emoties. Het wordt gebruikt om empatisch te zijn of intuïtief. Rationeel denken wordt, net als het secundaire denkproces, gezien als meer abstract, analytisch en volgens de regels van logica en bewijs.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Wiskundige problemen worden er bijvoorbeeld mee opgelost. Volgens Epstein kunnen de twee naast elkaar gebruikt worden, maar ook met elkaar in conflict zijn.

De ontwikkeling van de instincten

Instincten zijn een belangrijk onderdeel van de theorie van de psychoanalyse. De bron van de instincten zijn lichamelijke spanningen. Die neigen zich voornamelijk te concentreren in de erogene zones. Volgens de theorie bestaat er een biologisch bepaalde ontwikkeling en verandering van de belangrijkste erogene zones.

De eerste zone is de mond. De tweede de anus. Derde de genitaliën. De mentale en emotionele groei van een kind zijn afhankelijk van de sociale interactie, de anxieties en de beloningen, in relatie tot deze zones.

Het eerste gebied van opwinding, gevoeligheid en energie is de mond. Die we in verband brengen met het orale stadium. Duimzuigen is bijvoorbeeld een vroege beloning. In het volwassen leven zien we sporen van het orale stadium in het kauwgumkauwen, sigaretten roken, eten en zoenen.

Tweede ontwikkelingsstadium is het anale stadium, rondom twee en driejarige leeftijd. Er is opwinding in de anus en de beweging van feces door het anale kanaal. Ontlasting hebben, brengt opluchting van spanning en ook plezier. Er is een conflict tussen kwijtraken en vasthouden. Tussen de wens de boel de vrije loop te laten en de eis van de buitenwereld op te houden tot een gepast moment. Dit laatste is het eerste conflict tussen de mens en de maatschappij. Als het kind voor plezier kiest, krijgt het straf. Het kind kan wraak gaan nemen door diarree te krijgen; of ontlasting associëren met iemand iets geven, wat weer tot machtsgevoelens kan leiden.

In de fallische fase (leeftijd vier en vijf) komt de opwinding en spanning van de genitaliën. Het biologisch verschil tussen de seksen leidt tot psychologisch verschil. Het jongetje krijgt erecties, vindt dat spannend en realiseert zich dat vrouwen geen penis hebben. Hierdoor krijgt hij de angst zijn penis te verliezen: Castratie-angt. De vader wordt een rivaal voor de affectie van de moeder. Dit leidt weer tot het Oedipuscomplex. Volgens dit is de fantasie van elke jongen om zijn vader te vermoorden en diens plaats als man van de moeder in te nemen. Het complex kan verhevigd worden als de moeder het jongetje echt verleidt. Castratie-angt kan verhevigd worden als er inderdaad gedreigd wordt om de penis af te knippen.

Meisjes ontwikkelen volgens de psychoanalyse penisnijd. Als ze ontdekt geen penis te hebben geeft ze de moeder (het oorspronkelijke liefdesobject) de schuld. Terwijl de penisnijd ontwikkelt, kiest het meisje de vader als liefdesobject Ze stelt zich voor dat ze haar penis terugkrijgt door een kind van de vader te krijgen. Als de vader zich verleidelijk naar het meisje opstelt, wordt dit conflict soms verscherpt. Om het Oedipuscomplex op te lossen, gaan kinderen zich meer met de ouder van hetzelfde geslacht identificeren. Een studie uit 1990 wees uit dat kinderen in genoemde leeftijdsgroep zich inderdaad meer met de vader of moeder identificeren.

De volgende ontwikkelingsfase is latente fase. Leeftijd is tussen zes en dertien. De psychoanalyse zegt dat seksuele belangstelling en drift in deze fase afnemen. Dat mag zo zijn geweest in de Victoriaanse tijd, in andere culturen is dit niet geobserveerd.

Als de puberteit begint, komt ook de genitale fase. Veel culturen markeren deze fase, zoals de joden bijvoorbeeld met de bar mitzvah. Afhankelijkheidsgevoelens en onopgelost Oedipuscomplex komen boven drijven. Als iemand er allemaal goed doorheen komt, leidt dit volgens Freud tot een psychologisch gezond persoon. Iemand die in staat is om lief te hebben en te werken.

De psychologische ontwikkelingsfasen van Erikson

Erik Erikson is een belangrijk aanhanger van de psychoanalyse. Hij legde echter niet zoveel nadruk op de seksuele aspecten, meer op die van de psychosociale omgeving.

Het orale stadium is belangrijk omdat zich - door de voeding - een relatie van vertrouwen of wantrouwen ontwikkelt.

Tijdens het anale stadium ontwikkelt zich een gevoel van autonomie of van schaamte en twijfel. In de fallische fase worstelt het kind met ergens plezier in hebben, tegenover schuldgevoelens, competief en succesvol zijn.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

In de latency en genitale fase ontwikkelt een mens een gevoel van nuttig zijn en succes hebben tegenover minderwaardigheidsgevoelens. En verder een gevoel van eigen identiteit of een verwarring daarover.

Als iemand geen duidelijk besef van eigen identiteit heeft, geeft dat in de adolescentie verwarring over welk beroep er gekozen moet worden. In een later leven kan dat weer tot wanhoop leiden, omdat het leven te kort is om helemaal opnieuw te beginnen.

Marcia (1994) heeft vier stadia onderscheiden.

Identity-Achievement. De term betekent dat iemand duidelijk omlijnd gevoel van identiteit heeft. Iemand in staat is onafhankelijk te denken, intiem kan zijn, moreel besef heeft, en bestand is tegen groepsdwang tot conformiteit of manipulatie van eigenwaarde.

Identity Moratorium is iemand middenin een identiteitscrises. Iemand kan dan wel goed psychologisch functioneren en heeft ook moreel besef en waardeert intimiteit. Iemand weet alleen niet wie hij nou precies is, wat hij wil en is minder dan Identity achievers bereid om een binding aan te gaan.

Identity Foreclosure betekent dat iemand zichzelf een identiteit heeft aangemeten, maar dat daar geen onderzoek aan vooraf is gegaan. Dit soort mensen zijn rigide en gevoelig voor wat de groep zegt of van hen eist. Ze zijn conventioneel en kunnen moeilijk van hun standaard van goed en kwaad afwijken.

Identity Diffusion betekent dat iemand geen duidelijk gevoel van identiteit heeft. Iemand is gevoelig voor slagen op het gevoel van eigenwaarde. Denkt warrig en heeft een probleem met intimiteit.

Marcia suggereert dat mensen verschillen in hoe ze hun identiteit vormen. De verschillen tonen zich in de gedachteprocessen, relaties en eigenwaarde.

Erikson zegt dat de ene mens intimiteit kent en het leven kan nemen zoals het komt. De ander is geïsoleerd van familie en vrienden en overleeft dankzij een dagelijks routine. De aandacht ligt op teleurstelling en de toekomstige dood. Het kan zijn dat hoe mensen dit soort zaken oplossen, hun wortel hebben in de kindertijd. Erikson zegt echter dat dit niet altijd zo is.

Erikson is belangrijk omdat hij:

1)het psychosociale benadrukt naast het instinctieve, als basis van de ontwikkeling van de persoonlijkheid. 2) hij zegt dat ontwikkeling de hele levenscyclus doorgaat 3) hij onderkent dat mensen naar het heden en het verleden kijken. En hoe zij hun toekomst zien is net zo‟n belangrijk onderdeel van hun persoonlijkheid als hoe ze hun verleden zien.

Het belang van vroege ervaringen

De diverse stromingen in de psychologie zijn het niet met elkaar eens hoe belangrijk de vroege jaren zijn voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid later. Freud zei zelf dat als je de pathologie op latere leeftijd ziet, je de jeugd wel in kan vullen. Aan de andere kant lijkt de ontwikkeling toch steeds nog alle kanten op te kunnen. Er is waarschijnlijk geen zwart/wit antwoord Misschien zijn sommige persoonlijke kenmerken, als ze eenmaal gevormd zijn, hardnekkiger dan anderen. De rol van vroege ervaringen kan ook afhangen van de intensiteit van die ervaringen, hoe lang ze voortduurden en of ze vroeg of juist later in de ontwikkeling voorkwamen. Het effect van gebrek aan moederlijk aandacht kan bijvoorbeeld afhangen van hoe lang dat gebrek geduurd heeft. Hoe ernstig het was. En of er positieve ervaringen waren vlak voor en vlak na dat gebrek aan moederlijke aandacht. Psychoanalyse kan de mogelijke effecten schetsen van vroege ervaringen, maar niet zeggen dat die effecten onafwendbaar zijn.

Hoofdstuk 4.Toepassingen en evaluatie van de theorie van Freud.

Je ligt op het gras en het is mooi weer. Je kijkt naar de lucht en ziet van alles. Schapen, boten en het gezicht van de buurman. Maar een ander ziet het niet. Dit heeft met perceptie te maken. Hierop zijn onderzoeken gebaseerd. Waarom zie je wat je ziet.

In zekere zin is iedereen gestoord, maakt gebruik van verdedigingsmechanismen. De grens normaal -pathologisch is onduidelijk.

Psychoanalyse is een klinische persoonlijkheidstheorie, gefocust op de intensieve studie van persoon. De klemtoon ligt op het onbewuste proces en de wisselwerking met de motieven. De

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

theorie staat niet alleen, heeft ook te maken met de manier waarop mensen worden geobserveerd. Er is ook een link met psychotherapie en verandering, heeft te maken met algemene basisassumpties.

Belasting: projectietesten:

Projectietesten zijn gerelateerd aan psychoanalyse. De reacties zijn heel persoonlijk, maar ook de manier van uitleg is dat.

L.K.Frank, 1939, heeft het ontwikkeld. Geeft een inzicht in persoonlijke wereld van gedachten en gevoelens. Elk heeft zijn eigen structuur en organisatie, en dus zijn reageren op stimuli. Zijn reactie geeft een dynamische expressie van de persoonlijkheid.

Twee testen, de Rorschach Inkblot test en de Thematic Apperception Test. Beide zijn vermommende testen.

Psychoanalytische theorie bevat individuele verschillen, en de complexe organisatie van persoonlijk functioneren.

P. legt de klemtoon op het belang van onbewuste en verstoorde mechanismen. Door deze testen zijn er mogelijk aanwijzingen.

Klemtoon op holistisch begrijpen van de persoonlijkheid, in termen van relaties tussen de verschillende onderdelen, de som is meer dan de delen, alles heeft met elkaar te maken.

De RIT met inktblok een afdruk, wordt dubbel gevouwen, er ontstaat een symmetrisch patroon. Uitgeprobeerd bij opgenomen patienten. Aan de hand hiervan de besten eruit gehaald. Men weet van tevoren niet hoe de procedure is, zodat men onbevooroordeeld er in stapt. Gewoon vertellen wat men ziet. Men is geïnteresseerd in hoe de reactie tot stand komt, de reden ervoor en de inhoud.. De basis gedachte is dat de perceptie van mensen wordt gevormd door de manier waarop ze normaal de stimuli organiseren en de structuren in de omgeving. Vreemde reacties, kunnen met problemen te maken hebben.

Bv twee verschillende reacties, een waarin dieren herhaaldelijk vechten, een ander waarin mensen meegesleept worden in gezamenlijke inspanning. Vaak symbolisch geïnterpreteerd. Een explosie kan te maken hebben met intense vijandigheid, gorilla‟s met een dominante vader.

Er wordt vooral gekeken naar het totaal aan reacties, niet een op zich staande, alle ongewone reacties worden genoteerd en geïnterpreteerd als geheel.

De TAT: Henry Murray en Christina Morgan. Met kaarten waarop mensen staan in belangrijke levenssituaties. Je moet er een verhaal bij maken.

De test is gebaseerd op het herkende feit dat als een persoon een sociale situatie die voor meerdere verklaring vatbaar is, hij geneigd is zijn eigen persoonlijkheid te laten zien. Sommige kaarten voor beide seksen, anderen voor mannen of vrouwen. De TAT wordt gebruikt om onbewuste en remmende tendenties te ontdekken. De test wordt gebruikt in klinische situatie en in onderzoek naar menselijke motivatie.grote relatie tussen getoonde fantasie en de onderliggende motivatie, en tussen fantasie en gedrag. Fantasie kan worden geassocieerd met het uiten van motivatie van gedrag, alsook als vervanging daarvan.

Een onderzoek gebruikte de test om er achter te komen waarom komedianten en clowns mensen aan het lachen maken. Meestal zijn deze mensen grappig in hun jeugd, daarnaast zijn er een aantal zaken die ook een rol spelen:

De kracht om het publiek te bespelen en aan het lachen te maken. Preoccupatie met goed en kwaad. Zij laten zien dat zij in basis goed zijn.

Verschuilende taal en ontkenning. Moeilijke zaken ontlopen, verdoezelen en zaken ontkennen. Bv. Lieve tijger, het monster is leuk ed.

Anarchie.

Veel verborgen thema‟s, bv maskers, goochelen, trucks ed. Daarnaast gekheid met eigen schoonheidsfouten, denk bv aan Marty Feldman met zijn ogen.

De RIT helpt om in de diepte van de mens te kijken.

Psychopathologie.

Je kunt de psychoanalyse niet begrijpen als je niets begrijpt van de vreemde en complexe gedragingen die onder Freuds aandacht kwamen. Hij werkte het meeste met neurotische

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

stoornissen. Bij iedereen is wel wat te vinden, op het ene niveau of het andere, in welke vorm dan ook. De theorie is meer dan alleen maar een theorie van abnormaal gedrag, het gaat over persoonlijkheidsfunctionering.

Verschillende typen:

De eerste vijf jaar zijn heel belangrijk, een aantal zaken kunnen de ontwikkelingen verstoren. Fouten in de ontwikkeling noemen ze fixaties. In deze fase is men zo weinig bevredigd dat ze bang zijn om zich verder te ontwikkelen. Ze kunnen ook teveel bevrediging krijgen dat er geen motivatie is om verder te ontwikkelen.

Een ontwikkelingsfenomeen tov fixatie is regressie. Deze komen vaak naar buiten in perioden van stress.

3 fasen: de orale persoonlijkheid: zijn narcistisch, ze zijn alleen geïnteresseerd in hen zelf, geen duidelijke herkenning van anderen als separate wezens. Anderen zijn alleen geïnteresseerd in wat hun kan worden gegeven, bv eten. Ze vragen altijd om iets. Zie ook schema blz. 119.

De anale persoonlijkheid: belang bij vasthouden en loslaten(ontlasting) ipv geef me, oraal, nu doen wat ik zeg. Karakteristieken: orde en schoonheid, spaarzaamheid, kwellen? En hardnekkigheid. Alles moet schoon en op orde zijn, er moet controle zijn en graag sterker dan een ander of dominantie.

De fallische fase: oedipuscomplex. Niet ik krijg, of ik heb controle maar ik ben een man. Castratieangst. Succes betekent dat je groot bent in andermans ogen. Exhibitionistische neigingen, mannelijkheid ed. Vrouwen vaak hysterische persoonlijkheden, daarnaast vrouwelijkheid. Deze vrouwen idealiseren het leven, de partner, de romantiek ed.

Conflicten en verdediging.

In psychopathologie zoekt de volwassene nog steeds bevrediging op seksueel en agressief gebied. Uiten van deze wens roept angst op en dus verdringing. Hetzelfde gedrag kan worden geassocieerd met vreugde en pijn. Het is een conflict tussen angst en wens. Resultaat is vaak dat men niet nee kan zeggen, niet assertief kan zijn en blokkeert en ongelukkig is.

Bv agressieve gevoelens mogen niet gevoeld worden, het kan zijn dat je ze op anderen gaat projecteren. Strijd tussen id, ego en superego.

Zo ontwikkelt zich een symptoom. Conflict tussen id en ego, tussen instinct en afweer.

Gedragsverandering: men heeft een eigen manier van reageren gevormd, maar hoe vind een verandering in dit proces plaats? Er is te veel of te weinig frustratie geweest, men kan zich niet normaal ontwikkelen en er ontstaat een fixatie. Hoe doorbreken we dit nu.

Vrije associaties en droominterpretaties.

Freud dacht dat het onbewuste bewust maken zorgde voor verandering en genezing. Inzicht in de conflicten zijn dan nodig.

Moet in een redelijk veilige omgeving gebeuren. Door het onbewuste bewust te maken heeft id niet meer de macht, maar komt het onder de controle van het ego.

Daarnaast speelt het therapeutisch proces een rol, de overdracht. Dit is een leerproces. De emotionele situaties die in het verleden net konden worden gehanteerd komen in een overdrachtsrelatie naar buiten en zo kan men verder ontwikkelen.

In de therapie worden interacties met anderen gekopieerd. Voor orale persoonlijkheden speelt wat ze krijgen een rol, voor anale mensen de controle en voor fallische mensen worden het een strijd, wie er wint.

Juist door de frequentie van de sessies, tot 6 keer per week, komen ze wel naar buiten. Oude conflicten komen naar buiten en men kan ze uitspelen.

Over de testen:

Ook hierbij komt afweer om de hoek. De onderliggende noden, motieven en drijfveren komen eruit. Zijn belangrijk ook vanwege de interpretaties op de reacties. De gegevens van projectieve testen zijn wezenlijk anders dan die van anderen.

Freud legde overdreven de nadruk op het onbewuste en het pathologische in individuen. Weinig mogelijkheden, talenten en vaardigheden kwamen hierdoor in zicht. Erikson is een traditionele

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

psychoanalist. Voor Freud speelden vooral de seksuele en agressieve driften, instincten, het onderbewuste en de stadia van ontwikkeling. Hierover bestaan verschillen.

Adler en Jung zijn twee die een eigen weg zijn gegaan.

Adler:

Legt meer de nadruk op sociale invloeden en bewuste gedachten. Gevoelens van inferioriteit en compensatie uitingen spelen meer een rol. Geen castratieangst en penisnijd, maar masculien of feminien gedrag als reactie. Hoe een persoon met deze gevoelens omgaat, zijn copy gedrag, worden een deel van zijn leefstijl.meer de nadruk op sociale aspecten.

Mensen hebben vanaf het begin een sociale geïnteresseerdheid. Hoe mensen reageren op gevoelens van het zelf, hoe men reageert op positieve ervaringen, maar ook welke plaats men inneemt in de kinderrij kan van invloed zijn.

Vooral eerstgeboren jongens reageren anders dan de tweede ed.. De eerste is meer conservatiever, meer volgens de regels. De tweede zoekt alternatieve routes voor het winnen van status en succes. Het is de geboren rebel.

Jung:

Libido is de algemene levensenergie. Gaat verder als seksualiteit, ook plezier en creativiteit spelen een rol.

Bij Jung gaat het om het collectieve onbewuste. De ervaringen van generaties liggen opgeslagen in een mens. Gedachten en gevoelens, de manier waarop we iets doen, alles heeft er mee te maken. Reïncarnatie past hier dus ook bij. Van hieruit ontstaan de archetypen, bv van een moeder als levensgever. Zo hebben we meer van die archetypen.

Daarnaast speelt het therapeutisch proces een rol, de overdracht. Dit is een leerproces. De emotionele situaties die in het verleden net konden worden gehanteerd komen in een overdrachtsrelatie naar buiten en zo kan men verder ontwikkelen. Jung heeft ook aandacht voor de strijd tussen interne tegengestelde krachten. Jung bedoelde de strijd tussen persona (masker) en de private of persoonlijke zelf en de strijd tussen anima (vrouwelijke kant) en animus (mannelijke kant)

In de therapie worden interacties met anderen gekopieerd. Voor orale persoonlijkheden speelt wat ze krijgen een rol, voor anale mensen de controle en voor fallische mensen worden het een strijd, wie er wint.

Juist door de frequentie van de sessies, tot 6 keer per week, komen ze wel naar buiten. Oude conflicten komen naar buiten en men kan ze uitspelen.

Worden neo- freudiaans genoemd.

Karen Horney:

Duitse, naar Amerika geëmigreerd. Ging om culturele invloeden. Mensen in Engeland reageerden anders dan in Amerika.

3 uitgangspunten:

masculiniteit versus femininiteit. Sociale en culturele invloed.

Verschillen in persoonlijkheid tussen Engeland en Amerika. Interpersoonlijke relaties hebben invloed op de persoonlijkheid.

Daarnaast speelt de basisangst een rol, een gevoel wat een kind heeft als die in de steek wordt gelaten. Drie manieren van reageren: ernaar toe bewegen, ervan weg en er tegen in. Verder speelt bij deze angst het gevoel geaccepteerd te worden een grote rol. Ze heeft een veel optimistischer kijk op mensen hun mogelijkheden, de kans op veranderingen en de zelfvervulling.

Harry Stack Sullivan.

Geen direct kontact met Freud. Gaat om de invloed van sociale, interpersoonlijke krachten in de menselijke ontwikkeling. Belang van de eerste contacten, vooral de moeder. Van belang voor de ontwikkeling van angst en de ontwikkeling van het zelf. De angst wordt gecommuniceerd in de eerste contacten met de moeder, is interpersoonlijk in karakter. Ook het zelf is in origine sociaal. Het ontwikkelt zich door gevoelservaringen met anderen en reacties daarop. Ook in de latere

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

fasen is dit belangrijk. Ook de contacten tussen vrienden en vriendinnen kan van groot belang zijn.

Veel van de theorie is gebaseerd op basis van analyses van individuele gevallen. Speltherapie wordt gebruikt als vervanging van droom analyse. Problemen vandaag de dag meer verschillende persoonlijkheidsproblemen, veel verschillende en met verschillende sociale en culturele achtergrond. Ook daar moeten oplossingen voor worden gezocht.

Object relatie theorie: het belang van de eerste persoon waaraan een mens zich kan spiegelen, meest de moeder. Dit heeft veel te maken met de relaties die men later kan aangaan. Narcistische persoonlijkheid; vooral door Kernberg en Kohut. Bij de ontwikkeling van een gezond zelfbeeld heeft men een helder beeld van zichzelf, men voelt zich tevreden en heeft zicht op de noden en behoeften van anderen. Een narcist heeft behoefte aan waardering van anderen, het gaat om hem zelf, en hij heeft geen zicht op de behoeften van anderen. Alleen hijzelf is belangrijk en wil dat voelen dmv anderen. Heeft veel fantasie over het succes en de kracht van zichzelf. Hij is uniek. Soms kunnen ze mensen om hen heen adoreren, maar even zo snel weer laten vallen. Ze zoeken romantische partners. Bij fouten maken scoren ze ineens veel hoger dan anderen.

Hechtings theorie en volwassen persoonlijke contacten.

De emotionele situaties die in het verleden net konden worden gehanteerd komen in een overdrachtsrelatie naar buiten en zo kan men verder ontwikkelen.

In de therapie worden interacties met anderen gekopieerd. Voor orale persoonlijkheden speelt wat ze krijgen een rol, voor anale mensen de controle en voor fallische mensen worden het een strijd, wie er wint.

Attachment behavioral system door Bowlby → Een kind wat zich ontwikkelt doorloopt verschillende fasen in zijn ontwikkeling vanuit de band die hij heeft met de belangrijkste verzorger. Deze band verschaft hem veiligheid om te ontdekken en los te komen van de verzorger. In een later stadium ontwikkelt het kind schema‟s over hemzelf en de belangrijkste verzorgers. Deze schema‟s zijn geassocieerd met emoties en bieden de basis voor het ontwikkelen van toekomstige relaties.

Schema:

 

 

Positieve ander.

Veilig gehechte.

Gepreoccupeerde.

Positieve zelf

negatieve zelf.

Afzettende

angstige

 

Negatieve ander

Theoretici suggereren dat gehechtheids stijlen ook buiten gezin ontwikkeld, evenals door genetische factoren. Feit blijft dat er niets echt vast ligt. Men kan immers verschillende hechtingsstijlen hebben in verschillende omgevingen, bij verschillende mensen. Er zijn dus meer zaken die invloed hebben.

Hoe goed is nu psychoanalyse als een persoonlijkheidstheorie? Er komen steeds meer nieuwe technieken. Er worden speciale testen ontwikkeld. Psychoanalyse heeft bij gedragen tot het ontdekken en onderzoeken van stoornissen. Freud heeft ons een enorme rijkdom aan observaties nagelaten, hij schonk aandacht aan de complexe gedragen van het menselijke gedrag.

Wat zijn nu de grenzen? Ten eerste komt al de vraag boven hoe termen te definiëren. Wat is bv libido. Daarnaast spelen er veel suggestieve procedures een rol, en ook het onderbewuste is moeilijk wetenschappelijk te onderzoeken. Het gaat om zaken die moeilijk te testen zijn. Verder is er ook kritiek op de theorie, zoals de jeugdige seksualiteit. Er zijn veel meer krachten die een rol spelen. Daarnaast gaat men uit van zijn eigen referentiekader. Freud zoekt alles binnen de persoon, waar blijft dan de invloed van de familie en de omgeving. Daarnaast heeft hij een aantal zaken benoemd als biologisch van vrouwelijke origine. Zoals de penisnijd. Ook hierin spelen culturele zaken een rol. Dat neemt niet weg dat Freud een veelomvattende theorie heeft achter gelaten.

Zie ook tabel 4.4. blz. 159.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Hoofdstuk 5 - Een fenomenologische theorie: Carl Rogers;

Persoonsgerichte theorie van de persoonlijkheid.

Je bent heel zenuwachtig voor een eerste afspraakje en je moeder geeft je de raad: wees gewoon jezelf. Dat lijkt niet erg te helpen, je wilt tenslotte een goede indruk maken, en ervoor zorgen dat je leuk wordt gevonden!

De spanning die we ervaren bij deze kloof tussen ons actuele zelf en ons ideale zelf is een essentieel element in de theorie van Rogers m.b.t. de persoonlijkheid.

Zijn benadering is klinisch; het streven is het begrip voor het gehele individu; de ervaringen komen uit zijn therapiepraktijk. Het is fenomenologisch; benadrukt de belevingswereld van het individu; hoe de persoon zichzelf en de wereld waarneemt.

Deze focus op de subjectieve ervaring en het zelf komt naar voren in Roger‟s gebruik van verbale rapportage (verbatim) in beschouwing en onderzoek.

Rogeriaanse theorie is een onderdeel van de humanistische beweging, deze benadrukt de zelfactualisatie, het benutten van onze talenten en bereiken van ons potentieel.

In het voorgaande hoofdstuk werd de psychoanalyse als theorie behandeld in het licht van de nadruk op het individu als geheel, het belang van het onderbewuste, en menselijk gedrag als schakel tussen verschillende krachten; een dynamisch model.

In dit hoofdstuk is de focus de fenomenologische theorie van Carl Rogers.

In beginsel ging het niet over de persoonlijkheid maar over psychotherapie en het proces van verandering. Daar kwam zijn persoonlijkheidstheorie uit voort.

De theorie van Rogers wordt belicht:

-omdat het typeert waarom mensen kunnen en moeten worden beoordeeld op basis van hun waarneming van zichzelf en de wereld om zich heen, de fenomenologische benadering.

-omdat deze aandacht besteedt aan het concept van het Zelf, en ervaringen hierbij.

-de theorie illustreert een streven om klinische intuïtie te combineren met objectieve research.

De theorie belicht de fenomenologische wereld van de persoon, het belang van hoe iemand zichzelf waarneemt en ervaart, en de combinatie van klinisch werk met empirisch onderzoek.

Carl Rogers werd geboren op 8 januari 1902 in Oak Park, Illinois. Hij werd opgevoed in een formele en strikte omgeving, een onbuigzaam godsdienstig klimaat. De ouders hielden hun kinderen een strak arbeidsethos voor.

Uit Rogers‟ beschrijving van zijn vroege leven zien we twee elementen naar voren komen die later invloed hadden in zijn werk: het belang van morele en ethische zaken en respect voor de wetenschap.

Rogers studeerde eerst agricultuur, later theologie. Tijdens een reis in Azië in 1922 observeerde hij gewoontes en gebruiken bij diverse religieuze stromingen. Hij bezocht het liberaal theologisch seminarie in New York. Hij verdiepte zich in de betekenis van het leven voor het individu. Na twijfels over religie ging hij kinderen begeleiden (guidance), en ging zichzelf zien als klinisch psycholoog.

Hij studeerde pedagogiek, en vatte interesse op voor de dynamische theorieën van Freud enerzijds, en de toen toonaangevende wetenschappelijke, statistische benadering. Door zijn hele loopbaan heen heeft Rogers de dynamische en empirische benaderingen gecombineerd. Rogers visie op de mens als persoon

Voor Rogers is de kern van onze natuur in essentie positief. De richting waarin wij ons bewegen is zelf-actualisatie. Rogers stelt dat religie, m.n. christendom ons heeft geleerd dat we in basis zondig zijn. Freud en volgelingen hebben ons het id gepresenteerd, en het onderbewuste dat, als het de kans kreeg zich zou uitdrukken in incest, moord en andere misdaden. Volgens die visie zijn we irrationeel, onsociaal en destructief in het algemeen.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Rogers ziet dat als we soms zo handelen, we neurotisch zijn en niet functioneren als volledig ontwikkeld mens. Als we vrij zijn, zijn we vrij om de basisbehoefte als positieve en sociale dieren te ervaren en te vervullen.

Twee belangrijkste structurele concepten zijn: het zelf, het beeld hoe iemand zichzelf ziet, en het ideaal zelf, hoe iemand zou willen zijn.

Naast de parallellen die werden getrokken tussen gedrag van dieren en mensen (behaviorisme) trok hij zijn eigen parallellen. Hij observeerde bijvoorbeeld dat leeuwen naast hun verscheurende kwaliteiten zeer goede eigenschappen hebben: doden alleen om te eten, groei van hulpeloosheid naar zelfstandigheid, en worden sociaal en beschermend in volwassenheid.

Aan degenen die hem als een optimist bestempelden hield hij voor dat zijn visie is gebaseerd op meer dan 25 jaar van ervaring in de psychotherapie. Hij zegt geen Polyanna-visie te hebben, dat hij zich bewust is van de wrede, soms gruwelijke, onvolwassen, asociale kanten van de mens.

Toch zijn er sterke tendensen die positief gericht zijn, die bestaan in ons allen, in diepere lagen.

Er spreekt een diep respect voor mensen uit Rogers‟ persoonlijkheidstheorie, en zijn persoonsgerichte psychotherapie. (In Nederlands meestal cliëntgericht genoemd).

Roger‟s visie op wetenschap, theorie en research

Rogers bleef een fenomenoloog, door alle veranderingen heen.

Zijn fenomenologische visie in (1951) houdt in dat ieder individu de wereld op unieke wijze waarneemt. Deze waarneming vertegenwoordigt het fenomenologisch veld van die persoon. Dit houdt zowel bewuste als onbewuste waarnemingen in. De belangrijkste kenmerken van gedrag (specifiek bij gezonde mensen) zijn die welke van onbewust bewust kunnen worden. Hierin verschilt hij van de psychoanalytische nadruk op het onderbewuste. (Of onbewuste). De fenomenologische wereld is dus uniek en privé, maar we kunnen het door de ogen van het individu zien, en kennis nemen van hun opvatting over gedrag en psychologische betekenis ervan. Rogers zag de fenomenologie als basis voor de wetenschap van de persoon. Research moet tot doel hebben de subjectieve beleving te begrijpen. Deze doelstelling hoeft niet in een laboratorium of computer te beginnen, klinisch materiaal - verkregen tijdens psychotherapie is een waardevolle bron van fenom. kennis.

Om tot begrip te komen startte Rogers altijd vanuit klinische observatie, vanuit hier formuleerde hij hypothesen die dan weer werden getest.

Hij zag therapie als een ervaring van loslaten (letting go) en research als een objectief streven met eigen waarde; de ene als bron voor hypothesen de andere om ze te bevestigen.

Hij trachtte gedurende zijn hele loopbaan de kloof tussen subjectief en objectief te overbruggen, net zoals in zijn jeugd tussen religie en wetenschap.

In deze context hield hij zich bezig met ontwikkeling van psychologie als een wetenschap, en het behoeden van mensen voor het alleen maar een pion binnen deze wetenschap te zijn.

De persoonlijkheidstheorie van Carl Rogers

Zijn focus was vooral gericht op de psychotherapie, zijn persoonlijkheidstheorie is daarvan een uitvloeisel. In contrast met de analytische nadruk op driften, instincten, het onderbewuste, spanningsreductie, vroeg-ontwikkeling van karaktertrekken; is de fenom. benadering gericht op waarneming, gevoel, subjectieve zelfevaluatie, zelfactualisatie en veranderingsprocessen.

STRUCTUUR Het Zelf

Het zelf is het sleutelconcept in de hele theorie als middelpunt van de waarneming, ervaring en trekken van conclusies hiervan. (Het fenom. veld)

Het zelfconcept bestaat uit een georganiseerde en consistente representatie van waarneming. Hoewel het zelf verandert houdt het deze representatie altijd vast.

Het moet niet gezien worden alsof er een klein ´zelf´ in ons zit wat iets ´doet´ maar is dus deze organisatie van waarneming, en kan bewust worden gemaakt.

Gerelateerd hieraan is het ideale zelf, het zelfconcept dat de persoon het liefst zou bezitten.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Dit omvat ideeën betekenissen en waarden die belangrijk zijn voor de persoon. Meten van het zelfconcept

Aanvankelijk vond Rogers het „zelf‟ een vaag begrip, maar merkte dat mensen vanuit het zelf spraken tijdens de therapie. Hij had een objectief instrument nodig om dit te meten.

De Q-sort techniek

Hij begon aldus met het opnemen van de gesprekken, en gebruikte hierbij de Q-sort van Stephenson (1953). Dit is een pakje kaarten, op ieder kaartje staat een persoonlijkheidstrek, zoals bijv. „maakt makkelijk vrienden‟, „heeft moeite om boosheid te uiten‟.

Proefpersonen lezen de (100) kaartjes en gaan dan sorteren - welke zijn het meest/minst passend bij hoe je bent. (Uitgebreide toelichting blz. 171 onderaan).

Op deze wijze kan ook het ideale zelf benoemd worden.

De Q-sort leidt tot een systematisch inzicht in het fenom. veld van de persoon. De uitspraken komen van de onderzoeker niet van de persoon zelf, dus het beeld is niet helemaal compleet. Adjective Checklist (lijst van bijvoeglijke naamwoorden)

Semantic differential (schaal van tegenstellingen zoals „formeel vs. informeel‟)

Deze twee vragenlijsten werden ook gebruikt om te komen tot omschrijving ven het zelf en het ideale zelf. Het zijn gestructureerde technieken om informatie voor statistieken te verzamelen. Er zijn verschillende semantische differentiaalvragenlijsten.

Er kan ook geantwoord worden voor bijv. collega‟s of familieleden. Hoe meer verschillen bijv. een student aangeeft op deze schaal tussen zijn eigen zelf en zijn college, des te groter de kans dat hij zal stoppen met de studie. (Pervin, 1967).

In 1959 hebben twee psychiaters, Corbett Thigpen en Harvey Checkley het geval de “3 faces of Eve” beroemd gemaakt. Dit was een geval van meervoudige persoonlijkheid. (Eve White, Eve

Black en Jane) Dit werd aangetoond met de semantische differentiaal vragenlijst, de 3 persoonlijkheden hadden heel verschillende kwaliteiten en eigenschappen.

(Zie voor verdere beschrijving van de persoonlijkheden blz. 175 bovenaan).

De drie besproken meetinstrumenten benaderen alle drie het ideaal van Rogeriaanse zelfrapportage, zij geven betrouwbare informatie - ook statistisch - en theoretisch waardevol. Rogers vond dat deze tests maatgevend waren voor het vaststellen van actueel- en ideaal-zelf.

PROCES Zelf-actualisatie

Freud zag de essentiele persoonlijkheidskenmerken als relatief vaststaand en stabiel, baseerde hierop een uitgebreide theorie.

Rogers‟ visie benadrukt verandering, en hij gebruikte nieuwe structurele concepten in zijn theorie.

Freud zag de persoon als een energiesysteem. Zijn theorie geeft aan hoe deze energie beweegt, transformeert, vastloopt etc.

Rogers zag de mens als in ontwikkeling (forward moving). Daarom wilde hij niet zozeer aandacht besteden aan spanningsreductie maar vooral de zelf-actualisatie, d.w.z. het vervullen van de eigen mogelijkheden. Freud benadrukte de driften, Rogers zag niet perse motivatie in de drift op zich. In plaats daarvan zag hij als basis de innerlijke beweging naar actualisatie.

“Het organisme is in wezen geneigd te streven naar actualisatie, en het onderhouden en benadrukken van de ervaringsbeleving (Rogers, 1951)

Dit is het postulaat dat Rogers geeft als reden voor leven; verder gaf hij geen abstracte ideeën en theorieën. In poëtische zin beschreef hij het leven als een actief proces, als een boomstronk aan de oever van de oceaan, hoe het rechtop kan blijven, stevig, veerkrachtig, voor zichzelf zorgend en zichzelf steeds verbeterend tijdens het groeiproces. (Rogers, 1963)

Het organisme groeit van afhankelijkheid naar zelfstandigheid, van starheid naar flexibiliteit, naar een proces van verandering en vrijheid van expressie.

De noodzaak tot spanningsreductie is hier onderdeel van maar benadrukt wordt vooral de vreugde en bevrediging die voortkomen uit activiteiten die tot ontwikkeling leiden.

Rogers ontwikkelde geen eigen meetinstrument voor zelf-actualisatie.

Gebruikt werd vooral de 15-item scale, die meet de capaciteit voor onafhankelijk gedrag, zelfacceptatie of zelfvertrouwen, acceptatie van de eigen emoties en vertrouwen in relaties.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Het is altijd nodig dat anderen goedkeuren wat ik doe Ik ben bang niet goed genoeg te zijn

Ik schaam me niet voor mijn emoties

Ik geloof in de goedheid van de mens, en dat ik kan vertrouwen

( uit:Index of Self-actualisation, Jones and Crandall, 1986) Auteurs van vragenlijsten die worden gebruikt:

ï‚ŸJones and Crandall, 1986

ï‚Ÿrecenter: Ryff (1995, Ryff & Singer, 1998, 2000) - postulaat van geestelijke gezondheid, De Personal Growth Scale

[Incl. acceptatie, autonomie, positieve relaties, omgeving aankunnen en pers. groei] Het persoonlijke groei-element is verwant aan Rogers‟ visie op het groeiproces.

Er is aanwijzing dat mensen het meest gelukkig zijn als de doelen die worden nagestreefd Congruent zijn met het zelf.

Standvastigheid (consistency) en congruentie van het zelf

Het concept van beweging naar actualisatie toe is niet wetenschappelijk onderzocht. Essentieel is de nadruk die Rogers legt op vastheid en congruentie tussen zelf en de ervaring. Het organisme streeft naar vastheid (consistancy); [benoemd als afwezigheid van conflict], tussen hoe je jezelf ziet en waarneming en ervaring. In de meeste gevallen wordt ons gedrag bepaald door het zelfconcept. (Rogers, 1951)

Het concept van zelfconsistentie werd ontwikkeld door Lecky (1945).

Volgens hem zoekt het organisme niet naar plezier en vermijdt pijn, maar probeert zichzelf in stand te houden. Het individu ontwikkelt een waardensysteem met als middelpunt de eigenwaarde. Men gedraagt zich op een wijze die past bij het zelfconcept. Als je denk dat je slecht kunt spellen dan zal je slecht spellen. Zo wordt innerlijk naar congruentie gestreefd.

Incongruence (incongruentie) en defensieve processen Ervaren mensen inconsistentie of ontbreken van congruentie?

Hoe functioneert dan de poging om vast te houden aan consistentie en congruentie? Volgens Rogers ervaren we deze kloof als er een verschil is tussen hoe wij onszelf zien, en

tussen de werkelijke ervaring. Als je jezelf ziet als iemand zonder haat, en je voelt enorme haat, dan ervaar je incongruentie; het klopt niet. Er is spanning en innerlijke verwarring. Als dit alles onbewust is, dan geeft dit stress (anxiety). Stress is dus het gevolg van deze kloof.

Meestal gaat dit wel bewust, en laten we het toe. Als dit echter te bedreigend is, en het is een te groot conflict, dan laten we het niet toe. Hieruit ontstaat defense, afweer of weerstand.

Twee vormen zijn vervorming en ontkenning (verdringing) (distortion and denial).

Je verdraait het belang van de gebeurtenis en weigert in te zien wat iets betekent of dat het zo is. (Hier komt attributie naar voren, het ligt aan de ander, het was geluk hebben etc.).

In dit streven naar consistentie is het opvallend dat wat een positieve gebeurtenis zou kunnen zijn, zoals een goed cijfer krijgen, in het „jezelf bewijzen dat je een slechte student bent‟ aan een oorzaak van buitenaf wordt toegeschreven, en zo dus aanleiding geeft tot spanning en stress in plaats van voldoening.

De relatie tussen het zelfconcept en de ervaring is hier de bepalende factor.

Onderzoek naar „self-consistency‟ en congruentie

Studie hierover werd gedaan door Chodorkoff (1954), toonde aan dat men langzamer was in herkennen van woorden die persoonlijk als bedreigend werden ervaren, dan neutrale woorden. Dit speelde vooral bij afwerende slecht aangepaste personen.

Ook onderzoeker Cartwright (1956). Hij toonde aan, theorie van Rogers, dat mensen betere herinnering hebben aan stimuli die consistent zijn met het zelf dan voor inconsistente stimuli. Dit gold vooral voor onaangepasten. Er was soms vervorming bij herinneren van woorden, iemand die zichzelf ervaarde als „hopeful‟ memoreerde het woord „hopeless‟ als „hopeful‟. Ook een voorbeeld met „hostile‟ (vijandig) gememoreerd als „hospitable‟ (gastvrij).

In deze tekst wordt steeds weer benadrukt het verschil tussen mensen die goed aangepast zijn in tegenstelling tot minder aangepasten.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Deze (en verschillende andere, blz. 182) studies gaan over waarneming en memoreren. Hoe zit het met openlijk gedrag?

Aronson en Mettee (1968) vonden resultaten die klopten met Rogers‟ visie dat mensen zich gedragen congruent met het zelfconcept. Ze onderzochten bijv. dat mensen eerder geneigd zijn te bedriegen als ze een laag zelfbeeld hebben. Mensen die zichzelf hoog achten zullen zich eerder gedragen op een manier waar ze zelf respect voor kunnen hebben.

Meer recent onderzoek toont aan dat het zelf-concept gedrag op verschillende wijze beïnvloedt. (Markus, 1983). Het valt op dat men zich zo gedraagt dat een ander het beeld van je kan krijgen dat je zelf hebt. (Self-fulfilling prophecy, Darley & Fazio, 1980; Swann, 1992).

Subceptie → we ervaren een discrepantie tussen een ervaring en het zelfbeeld voordat we ons dat bewust zijn. De afweerprocessen zijn ontkenning, de ervaring wordt uit het bewustzijn geweerd en ontkend, en verdraaiing, de ervaring wordt verdraaid tot deze wel past bij het zelfbeeld.

De noodzaak (of behoefte) om positieve aandacht te krijgen

We hebben meerdere studies die aantonen dat het individu handelt in overeenstemming met het zelfbeeld en dat ervaringen die inconsistent hiermee zijn vaak worden ontkend of genegeerd.

In 1959 kwam Rogers met het concept van de noodzaak voor positieve aanvaarding. Dit heeft te maken met zoeken van warmte, liefde, respect, sympathie en acceptatie en is zichtbaar in de behoefte van het kleine kind aan liefde en affectie. Als de ouders het kind onvoorwaardelijke positieve aandacht geven, zodat het kind voelt dat het van grote waarde is, dan zal er geen reden ontstaan om ervaringen te ontkennen.

Als het kind bijv. ervaart dat het alleen liefde zal ontvangen als het zelf altijd liefdevol is, dan zullen gevoelens van haat ontkend worden. De haatgevoelens zijn niet alleen incongruent met het zelfconcept, maar vormen ook een bedreiging voor het ontvangen van positieve aandacht.

GROEI EN ONTWIKKELING

Rogers had niet echt een theorie over ontwikkeling en deed geen onderzoek over lange termijnstudie of ouder-kind interactie. Hij geloofde in wezen dat groeikrachten bestaan in ieder individu. Het natuurlijk groeiproces van het organisme omvat complexiteit, is expansief,

Groei van autonomie, groei van socialisatie, kortom - zelf-actualisatie.

Het zelf wordt een apart deel van het fenomenologisch veld en wordt steeds complexer.

Als het zelf naar buiten treedt ontwikkelt het individu de behoefte aan positieve aandacht. Als deze behoefte belangrijker wordt dan met de eigen gevoelens in contact staan, dan worden bepaalde ervaringen weggedrukt uit het bewuste en ontstaat incongruentie.

Zelf-actualisatie en gezonde psychologische ontwikkeling

Essentieel is of het kind in staat is te groeien in een staat van congruentie, om tot zelf-actualisatie te komen; of dat het kind defensief (afweer hebben) zal zijn en zal ageren vanuit een staat van incongruentie.

Gezonde ontwikkeling komt voort uit de situatie waarin het kind volledig kan ervaren, zichzelf kan accepteren, door de ouders geaccepteerd wordt zelfs als ze afkeurend staan tegenover sommige dingen. Het is het verschil waarin tegen een kind wordt gezegd: wat je doet is stout, i.p.v. je bent stout; ik vind niet leuk wat je doet i.p.v. ik vind jou niet leuk.

Onderzoek naar ouder-kindrelaties

Veel studies suggereren dat accepterende democratische ouderattitudes de meeste groei faciliteren. Kinderen van deze ouders vertonen toenemende intellectuele ontwikkeling, originaliteit, emotionele veiligheid en zekerheid (control).

Kinderen van afwijzende en autoritaire ouders zijn labiel (unstable), rebellerend, agressief en ruziezoekers. (Baldwin, 1949).

Wat het meest een rol speelt is de opvatting van het kind over de goedkeuring van de ouders. Als ze dit als positief ervaren hebben ze plezier in hun lichaam en zichzelf.

Als ze het als negatief ervaren zullen ze onzekerheid ontwikkelen en een negatief lichaamsbeeld. (Jourard & Remy, 1955).

Wat de ouders naar de kinderen uitstralen in dit verband is ook hoe ze zich over zichzelf voelen. Moeders die zelfacceptatie ervaren kunnen dit ook aan de kinderen geven.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Een uitgebreide studie naar het ontstaan van eigenwaarde (self-esteem) toont hetzelfde aan als de ideeën van Rogers.

Eigenwaarde is het persoonlijk oordeel over waarde. Het is een algemene houding, niet een momentopname. De oorsprong van eigenwaarde ligt bij de invloed die opmerkingen van belangrijke mensen in de omgeving uitoefenen bij beoordeling van het zelf.

Drie gebieden zijn zeer belangrijk in ouder-kind relaties (Coopersmith, 1967):

1.de mate van acceptatie

2.de interactie rondom toegeeflijkheid en straf

3.de mate van democratie in de ouder-kind relatie, heeft het kind ook rechten, hoe zit het met regels, hoe wordt daaraan gehouden, etc.

(Zie blz. 184-185)

Omgeving die creativiteit voortbrengt:

Ouders met respect voor de mening van het kind

Ouders en kind hebben gezelligheid, warmte en intimiteit samen

Kinderen mogen spelen met andere kinderen uit families met andere ideeën en/of waarden Ouders zijn bemoedigend en ondersteunend

Ouders stimuleren onafhankelijkheid

De creatieve persoonlijkheid: Is trots op eigen resultaten

Is vindingrijk in activiteiten bedenken Raakt sterk betrokken bij activiteiten Heeft brede interesse

Kan omgaan met onzekerheden en ingewikkelde zaken Kan doorzetten bij tegenspoed.

(Harrington, Block & Block, 1987)

Visie van kinderen over „goed‟ of „slecht‟ zijn (van het zelf)

Dit betreft onderzoek dat niet in Rogeriaans verband werd gedaan, maar omdat het over het zelfconcept van kinderen gaat mag het in die context worden opgevat.

Het onderzoek startte met bewijs dat kinderen zowel als volwassenen er impliciete theorieën op nahouden over menselijke attributies, en dit heeft gevolgen voor gevoel en gedrag.

(Dweck, 1991).

Twee sets van overtuigingen (beliefs): volgens de eerste; bekend als de eenheids-theorie (entity theory) wordt een trek beschouwd als vaststaand, volgens de tweede, bekend als de groei- theorie (incremental theory) wordt een trek of een eigenschap gezien als kneedbaar en onderhevig aan verandering.

Bijvoorbeeld intelligentie, de eerste denkwijze veronderstelt dat intelligentie vaststaat en is wat het is; de tweede ziet intelligentie als vormbaar, het kan ontwikkeld worden en groeien. Kinderen met de eerste denkwijze zijn taakgericht, en geven vaak op als het tegen zit.

Kinderen die denken volgens de tweede denkwijze hebben vaak leerdoelen, doen meer hun best bij tegenslag, zijn gericht op het laten toenemen van competentie.

Bij de eerste denkwijze wordt kritiek gezien als reflectie op jezelf, bij de tweede ziet men kritiek als informatie waar je je voordeel mee kunt doen.

CONCLUSIE

Roger's visie op karakteristieken van ouders, en manieren om het kind te beinvloeden bij de ontwikkeling van eigenwaarde heeft het denken van onderzoekers en pedagogen beïnvloed. Hoewel niet altijd rechtstreeks aan Rogers gerefereerd wordt heeft het adviseren hoe om te gaan met kinderen met respect en bescherming van eigenwaarde Rogeriaanse oorsprong.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Hoofdstuk 6 Fenomenologische theorie: Toepassing en evaluatie van Rogers’ theorie.

Groene inzet: focus van hoofdstuk:

Heb je een vriend bij wie je je kunt uiten; of je nou boos, verdrietig of in de war bent, dan lijkt het soms wel alsof je je alleen bij deze persoon beter kunt voelen bij zorgen en problemen. Misschien kun je je dan ontspannen, je veilig en rustig voelen terwijl je je kunt uiten.

Dit concept was Rogers‟ idee van therapie, zijn doel.

Zijn cliëntgerichte houding was de basis voor zijn persoonlijkheidstheorie. Deze cliëntgerichtheid zou ruimte geven voor groei en ontwikkeling.

Significante medestanders in deze visie van de human potential movement zijn Kurt Goldstein en Abraham H. Maslow.

(vertaling van human potential movement kan zijn: beweging [een groep met dezelfde ideologische grondslag] die gelooft in de mogelijkheden/het potentieel van de mens) Waarschijnlijk is dit wat wij de humanistische beweging/visie noemen.

Praktische (klinische, d.w.z. in de therapiepraktijk) toepassingen:

Aan de orde komen de visie van Rogers m.b.t. psychopathologie, psychotherapie en persoonlijkheidsverandering.

De persoonsgerichte benadering ontvouwde zich bij counseling, daarbij genoemd cliëntgerichte therapie. De persoon die hulp zoekt is niet afhankelijk, blijft verantwoordelijk. (Opvallend is dus de benaming cliënt vs. patiënt).

Er wordt niet gefocust op een afwijking of ziekte maar op de drang (drive) van het individu zich te ontwikkelen en te groeien naar gezondheid; en de therapeutische mogelijkheden die helpen de hindernissen hierbij uit de weg te ruimen.

Psychopathologie

Tegenstrijdigheid in het zelfconcept

De gezonde persoon:

-kan ervaringen assimileren in het zelf (self-structure)

-er is congruentie tussen zelf en ervaringen

-er is openheid t.o.v. ervaringen

-er is geen afweer (defensiveness) De neurotische persoon:

-het zelfconcept is opgebouwd op een wijze die niet strookt met belevingswereld

-de psychisch geremde persoon ontkent en verdringt significante gevoelens en emoties

-ervaringen die incongruent zijn met het zelfconcept worden als bedreigend ervaren en worden ontkend of verdraaid (via b.v. rationaliseren).

Er is een kloof tussen actuele en ideale zelf (self-experience discrepancy)

Deze kloof wordt als bedreigend ervaren voor het positief zelfbeeld.

Er komt een verstarring en afweer uit voort tegen niet-passende ervaringen. Afweer in verschillende vormen:

-rationalisatie, verdraaien om het passend te maken

-fantaseren; en alle ervaringen die hier niet bij passen worden ontkend

-projectie, de onderliggende behoefte wordt ontkend, het gedrag wordt als consistent gezien

De beschrijvingen van afweer komen overeen met die van Freud.

Bij Rogers is het belangrijkste aspect echter het hanteren van de incongruentie tussen zelf en ervaringen door ontkenning, verdringing (niet bewust laten worden) en verdraaiing. Waarnemingen worden verdrongen omdat ze een innerlijke tegenspraak zijn, niet omdat ze afbreuk doen of vernederend zijn. (derogatory). (Rogers, 1951)

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Tegenstrijdigheid tussen delen van het zelf (persoonlijkheidsdelen)

Volgens Rogers betekent de kloof tussen actueel zelf en ideaal zelf psychologische pathologie. In onderzoek wordt deze kloof vaak gezien als de mate van aangepastheid, hoe smaller de kloof des te beter aangepast is de persoon.

Zoals blijkt uit veel onderzoek is gezondheid en eigenwaarde gerelateerd aan de verhouding tussen actueel en ideaal zelf.

Bij een grote kloof zijn mensen gevoelig voor depressie.

Ander onderzoek toont aan dat hoe dichter iemand zich voelt bij het gevreesde en ongewenste zelfbeeld nog veel belangrijker is bij aanpassing.

Eigenwaarde en verzoening met het leven hangt dus eerder af van niet het gevreesde zelf zijn dan dicht bij je ideale zelf zijn.

Higgins (1987,1999) stelt dat „ideaal-„ en „hoe-je-hoort-te-zijn‟zelven dienen als gids en sturen het sociaal gedrag. Hoewel ze soms samenwerken komen ze soms ook in conflict.

(Wat we idealiter zien en waar we ons verplicht toe voelen is niet altijd gelijk).

Rogers stelt dat cliënten nodig hebben zich hiervan bewust worden om te kunnen veranderen door therapie.

Therapeutische voorwaarden noodzakelijk voor veranderingsprocessen In zijn vroege benadering benadrukte Rogers het spiegelen (reflection). Dit is een non-directieve (in ned. ook permissief) benadering.

Sommige counselors werden beoordeeld als passief en ongeïnteresseerd. Rogers veranderde toen de benadering van counselen in clientgericht.

De counselor is actief geïnteresseerd en betrokken, een verschuiving van techniek naar attitude. De belangrijkste variabele volgens Rogers was het therapeutisch klimaat.

Dit vraagt om drie condities:

-congruentie; (authenticiteit, de therapeut is zichzelf)

-onvoorwaardelijke positieve aandacht (geeft de veiligheid voor je diepste uitingen)

-empathisch begrip (inleving, actief luisteren en begrijpen).

In latere studies ook vanuit andere richting werd bevestigd (Halkides, 1958) dat de houding van authenticiteit, positieve aandacht en empathie samenhangt met therapeutisch succes, dit ondersteunt de theorie van Rogers dat dit inderdaad een voorwaarde is voor verandering.

Resultaten van cliëntgerichte therapie

Eén van de mijlpalen die Rogers aanbracht is het openleggen van het gebied van psychotherapie voor systematisch onderzoek.

Gedurende de 40er en 50er jaren werden verschillende onderzoeken gedaan door hem en anderen om vast te stellen welke veranderingen samenhangen met clientgerichte therapie. Hierbij werd gevonden:

-een vermindering van afweer

-een toename van openstaan voor ervaringen

-ontwikkeling van een positiever en meer congruent zelf

-ontwikkeling van positievere gevoelens t.o.v. anderen

-een vermindering van de gewoonte waarden van anderen aan te houden, maar meer ontwikkeling van eigen oordeelsvermogen.

Naast zijn werk met neurotici deed Rogers werk en onderzoek met psychotici (schizofrenen). Hij wilde hierbij ook meten wat van belang was in de therapie, en kwam tot de conclusie dat ook hier het positieve therapeutische klimaat samenhing met positieve persoonlijkheidsveranderingen.

Het leek zelfs nog belangrijker te zijn bij deze groep.

Het therapeutisch klimaat bestond voor psychotici echter uit een ingewikkelde psychodynamische interactie tussen therapeut en patiënt.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Het werd ook duidelijk dat patiënten van competente therapeuten, die er echter niet in slaagden een positief klimaat te scheppen, soms verslechterden.

Opsomming van onderscheidende karakteristieke elementen van clientgerichte therapie

-geloof in de capaciteiten van de cliënt

-belang van de therapeutische relatie (empathie, etc.)

-therapeut tracht de cliënt te begrijpen en communiceert hierover

-i.p.v. zoeken naar onbewuste drijfveren, onderzoeken wat cliënt zegt over zichzelf

-diagnostiek is onbelangrijk

-cliëntgerichte therapie is een voorspelbaar proces, groei vindt plaats als de therapeut ondersteunt bij het volwassen, onafhankelijk en productief worden van het individu

-Rogers houdt verband tussen theorie-therapie en onderzoek

-Het clientgerichte is „als-dan‟, De theorie zegt dat ALS bepaalde voorwaarden bestaan

DAN zal er een proces plaatsvinden tot veranderingen van gedrag en persoonlijkheid.

De semantische schaal wil zeggen het differentiëren in woorden die tegenstelling inhouden te bepalen op een schaal van bijvoorbeeld 7 (1 is zwak, 7 is zeer sterk).

Voorbeeld: conservatief=liberaal; sterk=zwak, warm=koud, etc.

Met het bepalen van mensen om je heen, of omstandigheden of concepten, komt een beeld naar voren van het ervaren van de wereld om je heen, d.w.z. het fenomenologisch veld.

Het verschil met de Rorschach (een projectieve methode) is dat die verhuld is, en deze scale is openlijk.

De methode komt niet direct uit het Rogeriaanse maar via het onderzoeken van het fenomenologische veld komen we bij de perceptie van het individu van zijn wereld, zijn ideaal- en actueel zelf.

Bij de casus van Jim wordt belicht hoe hij differentieert.

Hoe hij bijvoorbeeld zijn ouders bekijkt, in het algemeen, in relatie tot hemzelf, etc.

Commentaar op de uitkomst van het differentiëren

Na de uitkomst van de meetmethode zijn we niet geneigd ons eigen doel te verhullen, we zijn geïnteresseerd in de waarneming, mening en ervaring van Jim zoals hij ze zelf rapporteert. We willen alles over hem weten, met name hoe hij dit alles zelf ervaart.

Recente ontwikkelingen

Rogers‟overstap van individu naar groep, - en de maatschappij.

Rogers bleef belichten de fenomenologische benadering, het belang van het zelf, en het veranderingsproces.

Aanvankelijk was er de wil om klinische gevoeligheid met wetenschappelijke striktheid te combineren, later bewoog hij zich steeds meer richting studie op fenomenologische basis. Dit is in wetenschappelijke kringen vaak niet van waarde, wordt in tegenstelling met het empirische gezien als zelfrapportage zonder wetenschappelijke basis.

Rogers vond echter dat vooral inzicht voortkomend uit klinische studie waardevol was.

Een andere overstap was van één-op-één therapie naar werken met groepen.

In zijn boek „On Encounter Groups‟(1970) stelt hij dat veranderingen sneller plaatsvinden in klein, intensief groepsverband. Hij was speciaal geïnteresseerd in de echtparen- en samenwonenden- groepen (hier als tegenstelling) (Rogers, 1972).

De focus was op openheid, uitwisseling, groei van bewustwording van gevoelens die een rol in een relatie spelen.

Uiteindelijk reikte zijn persoonsgerichte benadering zich uit tot minderheids-, interraciale-, interculturele- en internationale groepsrelaties. Rogers had een revolutionaire visie dat de persoonsgerichte aanpak een verandering kan teweegbrengen in de concepten, waarden en procedures van cultuur.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Het is het bewijs van effectiviteit (evidence of effectiveness) dat een heel kleine en onopvallende revolutie kan worden op weg naar een significante verandering in de wijze waarop de mensheid openstaat voor mogelijkheden. (Rogers, 1972).

Belangstelling voor het zelf, doelen vanuit innerlijke drijfveer

Lange tijd was de belangstelling voor het concept van het zelf klein. De laatste twintig jaar is er weer veel onderzoek en discussie over. Heel weinig hiervan citeert Rogers als basis.

De reden hiervoor dat de interesse momenteel komt vanuit de cognitieve hoek, en aandacht besteedt aan het specifiek zelf i.p.v. een globaal zelf - zoals gesteld door Rogers. Persoonlijkheids-psychologen zouden stellen dat het individu meerdere bronnen voor eigenwaarde heeft dan slechts een globaal concept van eigenwaarde.

Een recent onderzoek toonde aan dat mensen met globale eigenwaarde (self-esteem) beter in staat waren te voorspellen hoe mensen zouden reageren op bijv. succes of falen.

In overeenstemming met Rogers suggereerden de onderzoekers dat „high self-esteem‟ een onvoorwaardelijk gevoel van affectie voor jezelf is, en berust niet op het idee van positieve of negatieve persoonlijke kwaliteiten.

Recente interesse in authenticiteit is ook in overeenstemming met de bevindingen van Rogers. (Dit wil zeggen, in tegenstelling tot rollen, maskers, valse zelfrepresentaties.)

Volgens dit humanistisch gezichtspunt kennen we allen momenten waarop we minder of meer onszelf waren of zijn, het gaat om de mate waarin we in ons dagelijks leven hierin consistent zijn. Bij authenticiteit functioneert de mens optimaal, gedrag kan variëren van situatie tot situatie, maar de hamvraag is of de persoon zichzelf ervaart als „true to their self‟, d.w.z. „echt‟.

Het stellen van doelen zal dan meer van binnenuit komen, en niet het conformeren aan omgeving, of vanuit plicht. Dat zal bij externe motivatie intern conflict opleveren.

Hier intrinsieke motivatie versus extrinsieke motivatie (boek Inleiding blz. 521).

De mens heeft een psychologische behoefte tot zelfbepaald gedrag (versus verplicht, gemanipuleerd, afgedwongen door innerlijke of externe krachtbron, dat maakt dus niet uit!), Tot ervaren van autonomie, en het ondernemen van intrinsiek waardevolle zaken.

Er is bewijs dat het zelf kunnen kiezen en beslissen samengaat met fysieke en geestelijke gezondheid (Dykman, 1998; Elliot & Sheldon 1998; Sheldon & Church, 1997).

Zo wordt gesuggereerd dat als de gestelde doelen m.b.t. zelfconcept niet overeenkomen met het

„ware zelf‟, de persoon niet in zijn psychische behoeften zal kunnen voorzien. (Sheldon & Elliott,

1999).

Vanuit humanistisch oogpunt is dit logisch. Fenomenologisch lijkt het ook oké. Er zijn echter twee waarschuwingen van belang.

1.het is belangrijk te beseffen dat niet het doel belangrijk is, maar de reden voor het streven. (lees blz. 206 onderaan voor elaboratie hierover)

2.het lijkt gemakkelijk om hier te generaliseren, en te stellen dat deze stellingen voor iedereen gelden. Echter, recent onderzoek laat zien dat de zelfbepalingbehoefte niet persé inherent is aan menselijke motivatie.

Anglo-Amerikaanse kinderen lieten meer intrinsieke motivatie zien bij het nemen van eigen beslissingen dan Anglo-aziatische-, deze toonden meer intrinsieke motivatie als de beslissingen werden genomen door vertrouwde figuren met autoriteit.

(Ivengar & Lepper, 1999)

Aldus, de mate waarin zelfbepaling een fundamentele menselijke behoefte vertegenwoordigt staat nog te bezien. De mate waarin zelf-actualisatie - met nadruk op het zelf - een fundamenteel menselijke drijfveer is staat hierdoor dus eveneens te bezien.

Verwante zienswijzen

We zien dat het Rogeriaanse uitgangspunt ook tot uiting komt in andere theorieën over persoonlijkheid, speciaal m.b.t. het doorgaand streven van het organisme om inherent potentieel te verwezenlijken.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Dit maakt alles deel uit van de human potential movement (het humanisme), wat de derde stroming (the third force) in de psychologie wordt genoemd, als tegenwicht voor psychoanalyse en behaviorisme.

De nadruk ligt op zelf-actualisatie, uitwerken van je potentieel, en openstaan voor ervaringen. De twee toonaangevende figuren zijn Kurt Goldstein en Abraham A. Maslow.

Kurt Goldstein (1878-1965)

Kwam naar de V.S. in 1935, na maken van naam als neuroloog en psychiater in Duitsland. Gedurende de eerste W.O. werkte hij met soldaten met hersenbeschadigingen en dit leidde tot zijn latere visie. Hij was verrast over de scheiding van functies bij beschadigingen in de hersenen in tegenstelling tot de goed gecoördineerde functie bij het normale brein.

Wat hij hierbij observeerde paste hij toe bij andere aspecten van functioneren.

Zo wordt een gezond persoon gekenmerkt door flexibel functioneren, terwijl een gestoord persoon gekenmerkt wordt door rigide functioneren. De gezonde kan plannen en organiseren, de gestoorde functioneert mechanisch.

Hij was ook onder de indruk van het aanpassingsvermogen van de hersenbeschadigde, hij zag dit als een uiting van basale levenskracht.

Goldstein zag, als Freud, het organisme als dynamisch, terwijl hij wel een behoorlijk andere opvatting had over de beweging en richting van deze energie, dan Freud.

Hij stelde dat Freud geen recht deed aan de positieve aspecten van het leven. In plaats van spanningsreductie (Freud) zag Goldstein zelfactualisatie (als Rogers) als basismotivatie. Goldstein‟s werk met hersenbeschadigden vormde zijn zienswijze, en deze was vervolgens van significante invloed op de humanistische denkers in de psychologie.

Abraham H. Maslov (1908-1970)  Motivatiehiërarchie van Maslov.

Maslov was misschien wel de belangrijkste theoreticus in de humanistische benadering. Hij bekritiseerde de andere stromingen om hun pessimistische, negatieve en beperkte opvattingen over de mens.

Hij stelde dat de mens in basis goed of neutraal is en niet geneigd tot alle kwaad. Psychopathologie is volgens hem het verknipt en/of gefrustreerd zijn van het essentiele in het menselijk organisme.

Dit wordt vaak veroorzaakt door de samenleving, en het is een probleem om deze situatie het essentiele in het organisme is. (Zoals bij Freud, behavioristen).

Er moet (h)erkend worden wat er zit onder de beperkingen.

Dit laat zien waarom het humanisme zo populair werd bij mensen die zich geremd en afgeknepen voelden door hun omgeving.

Maslow beweert dat mensen de vrijheid hebben zich uit te drukken en zichzelf te zijn.

Hij introduceerde de piramide van motivatiebehoeften (hiërarchie of needs), de behoefte in belangrijkheid en noodzaak van onder naar boven. Hierin wordt duidelijk dat de behoefte aan zelfactualisatie in de bovenste punt staat, nadat aan behoeften in andere lagen is beantwoord.

Motivatiehiërarchie van Maslow:

Zelfactualisatie

je kunnen ontplooien

-----------------------

Behoefte aan waardering van zelf en anderen

--------------------------------

Behoefte om er bij te horen, aanvaarding, vriendschap

---------------------------------------

Behoefte aan veiligheid, zekerheid

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

-----------------------------------------------

Fysiologische behoeften, Voeding, water, seks, geborgenheid

---------------------------------------------------------

Een belangrijke bijdrage van Maslow was zijn studie naar gezonde, mensen die een leven met vervulling en zelfactualisatie leefden. Dit waren mensen uit heden én uit het verleden.

Door dit onderzoek concludeerde hij het volgende:

-zij accepteren zichzelf en anderen zoals ze zijn

-men kan betrokken zijn bij zichzelf maar ook oog hebben voor behoeften van anderen

-zij accepteren het unieke van ieder mens i.p.v. „automatisch‟ reageren en stereotyperen

-zij kunnen intieme relaties vormen met minstens enkele „speciale‟ mensen

-men is spontaan en creatief

-conformeren wordt vermeden

-men drukt zich open en duidelijk uit in samenhang met omgevingswereld en realiteit

Enkele voorbeelden van mensen die hieraan beantwoorden zijn Lincoln, Einstein, Eleanor Roosevelt

Wat wordt aangegeven is, dat ieder mens de mogelijkheden in zich heeft om deze kwaliteiten tot ontwikkeling te laten komen.

Meer recent is het humanistisch gedachtegoed belicht door Csikszentmihalyi (1990, 1997, 1999) in zijn concept van optimale ervaring (optimal experience), of flow.

Beschreven als een combinatie van competentie, uitdaging, hoog niveau van concentratie en gerichte aandacht, betrokkenheid bij de activiteit (de tijd vliegt…), geen plaats voor irrationele gedachten en afleiding, gevoel van intrinsiek genoegen en een tijdelijk verlies van zelfwaarneming of op jezelf letten; geen zelfbeperking.

Flow vindt plaats in werk, hobby, dansen en sociaal verkeer, etc..

Csikszentmihalyi bestudeerde de positieve aspecten van menselijk gedrag gedurende W.O. II, een tijd waarin sommigen alle decorum loslieten, terwijl anderen het beste wat in de mens kan leven uitdrukten.

Hij was beïnvloed door Rogers en Maslow, dit leidde tot nadruk op studie van kracht en deugd in tegenstelling tot zwakheid en pathologie. Vandaag de dag is zijn werk onderdeel van een groeiende aandacht voor het gebied van de positieve subjectieve ervaring samengaand met gezond en aangepast functioneren. (Seligman & Csikszentmihalyi, 2000).

Existentialisme

De benadering bekend als existentialisme is niet nieuw in de psychologie. Er is geen bekende figuur, noch een theorie werkelijk bekend.

Toch kan het de mens zeer raken, deze benadering.

Er is diversiteit in gebied waarbij existentieel wordt gedacht (religie, atheïsme, filosofische en klinische bevindingen).

Existentialisme richt zich op het bestaan, de persoon in de menselijke situatie.

De existentialist houdt zich bezig met fenomenen die onverbrekelijk verbonden zijn met levend zijn. (being alive). Ook een belangrijk aspect is de significantie van het individu. De persoon is uniek en onvervangbaar. Voor Kierkegaard (filosoof) is het enige existentiële probleem „te existeren als een individu‟. Vrijheid, onderscheidingsvermogen en bewustzijn onderscheidt de mens van andere dieren.

Vrijheid betekent verantwoordelijkheid, ieder is verantwoordelijk voor het eigen bestaan en de eigen keuzes. Lees verder elaboratie blz. 213

Kritische evaluatie van sterke en zwakke kanten van de Rogeriaanse theorie

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

De fenomenologische benadering was deel van een krachtige poging de menselijke ervaring te nemen zoals het is.

Rogers was zich bewust van nadelen van de fenomenologische benadering, hij zei in dit verband dat het een waardevolle benadering is, een noodzakelijke voor de psychologie, maar niet de enig bruikbare. (Rogers, 1964).

In hoeverre is de theorie van Rogers gebaseerd op onbevooroordeeld fenomen. onderzoek? Vraag: (Macleod, 1964) op basis waarvan denkt u uw cliënt beter te begrijpen dan Freud zijn patiënt? Volgens Rogers zijn er minder aannames en vooroordelen bij clientgerichte therapie.

Bij de meer actieve rol van de therapeut (hm, hm, etc., bevestigend, goedkeurend) weten we niet of dit nog wel waar is.

Het zelfconcept

Dit zijn min of meer filosofische bespiegelingen over het unieke, wel of niet consistente, stabiele en op-zichzelf-staand concept van zelf.

Verschillende culturele invalshoeken worden genoemd.

Rogers gaf dit concept meer aandacht, in werk en onderzoek, dan welke theorist ook in het psychologisch veld.

Conflict, angst en afweer

Veel aandacht werd besteed aan het concept van congruentie en het concept werd al vergeleken met het concept van Freud.

In dit gedeelte wordt nogmaals belicht waarom en wanneer afweer optreedt, en hoe dit de vrijheid beknot bij ervaren, voelen en handelen op alles wat op de mens afkomt.

Zowel Rogeriaanse als Freudiaanse modellen behandelen de afweermechanismen, in beide inzichten voor spanningsreductie.

Er is verschil in het idee over het ontstaan, en het reduceren van de afweer. Bij Freud komt hier de drifttheorie naar voren, bij Rogers incongruentie.

Psychopathologie en veranderingsprocessen

De Rogeriaanse aanpak gaat over het gebrek aan consequentie tussen ervaring (beleving) en zelf, en over de kloof tussen ideaal-zelf en actueel-zelf.

Studies worden besproken die dit hebben onderzocht, en waarbij tegengestelde bevindingen naar voren zijn gekomen.

Eindevaluatie

Hoe kan de theorie van Rogers worden bekeken?

Is het hedendaags, karig en consistent met het onderzoek?

Er zijn veel gezichtspunten die niet worden behandeld. De theorie zegt weinig over groei en ontwikkeling, of over specifieke factoren die kenmerkend zijn; of over bepaalde patronen.

In contrast met Freud wordt er erg weinig over seksualiteit en agressie gezegd, of over gevoelens zoals depressie en schuld. Toch lijkt dit alles wel een rol te spelen in onze levens.

Het is een „spaarzame‟ theorie, speciaal m.b.t. veranderingsprocessen.

Uit alle complexe zaken van psychotherapie trachtte Rogers een paar essentiële en kenmerkende zaken (conditions) te definiëren die invloed hebben op persoonlijke verandering. Hij hield altijd klinische bevindingen en onderzoek samen; zijn theorie schildert ook een onwil om de subtiele uitkomsten van klinische praktijk te laten overstemmen door de rigiditeit van de wetenschap.

De ontwikkeling van zijn systeem was het resultaat van steeds terugkoppelen tussen observatie, theoretisch formuleren en systematisch onderzoek.

Rogers in één oogopslag:

Structuur

proces

groei en ontwikkeling

 

Zelf; ideaal zelf zelfactualisatie; congruentie

congruentie en

 

van zelf en beleving; incongruentie

zelfactualisatie, versus

 

en afweer-vervorming en verdringing

incongruentie + verdringing

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Pathologie

Veranderingsproces

Illustratieve casus

 

Afweer vasthouden

therapeutisch klimaat;

Mrs. Oak

incongruentie

congruentie, onvoorwaardelijke

 

positieve aandacht; empatische

 

ondersteuning.

 

 

Kracht van de theorie:

 

Tekortkomingen:

1. focus op belangrijk deel van

1. Omzeilt belangrijke fenomenen als

menselijk bestaan (existentie)

onderbewuste, proces, afweer, etc. in het

2. Poging om het holistische integratieve

onderzoek en klinische aandacht.

aspect van de persoonlijkheid te erkennen

2. Objectieve metingen anders dan zelf-

3. Tracht humanisme en empirisisme te

rapportage ontbreken

integreren

 

3. Negeert de onmogelijkheid om geheel

4. Richt zich op systematisch onderzoek

fenomenologisch te zijn, observatie

naar noodzakelijke voorwaarden voor

zonder voor-aanname (vooroordeel)

therapeutische verandering.

is haast onmogelijk.

Hoofdstuk 7: trekbenadering bij personen

 

 

Traits (trekken) zijn persoonlijke karaktertrekken die stabiel zijn in tijd en in verschillende situaties. Het beschrijft hoe iemand voelt en denkt. We gebruiken allemaal een groot aantal termen (adjectives) om onszelf en anderen te beschrijven. Essentiële vragen zijn:

hoeveel trekken zijn er nodig om het verschil in personen te beschrijven Wat is erfelijk en wat is aangeleerd

Hoe verklaren wij het verschil in gedrag (bij een persoon) gedurende de jaren. Trekken hebben 3 functies; ze herkennen, voorspellen en verklaren de persoon.

- Eyseneck: er is een biologische basis: trekken hebben erfelijke als omgevingsinvloeden. Eenvoudig gedrag kan beschouwd worden in termen van specifieke responsen. Deze responsen zijn verbonden met elkaar en vormen gewoonten. Je hebt een trail level, habitual respons level, een specifiek respons level. Het traitlevel van extraversie is bv sociaal levend, actief, assertief, sensatiebelust. De trekken kun je vervolgens weer opdelen in habital respons (hoeveel % voldoet een persoon aan deze trekken).

3 factorentheorie van Eyseneck: het meten van trekken (factoranalyse) Eysenck gebruikte factoranalyse, een techniek waarbij wordt gekeken welke traits covarieren en welke onderliggende dimensies (superfactoren) deel uitmaken van de persoonlijkheidsstructuur. Een superfactor is een dimensie met lage introversie en een hoge extraversie.

Er zijn twee soorten dimensies: ((introversie/extraversie, stabiel/instabiel) en neurotisch. Later werd er nog een derde dimensie aan toegevoegd: psychotisch.

Eysenck maakte gebruik van de factor analyse. Individuen of groepen moesten aangeven of ze het eens waren met bepaalde stellingen, bijv. ik houd ervan om naar grote en luidruchtige feesten te gaan. Deze items werden geclassificeerd op een tweedimensionale schaal bijv. extravert-introvert Eyseneck ontwikkelde een aantal test om personen te meten volgens het principe introversie/extraversie.

Extraversie is het makkelijkst te meten omdat dit gedrag goed waarneembaar is. Een aantal verschillen tussen introvert/extravert

Introverten doen het beter op school

extraverten hebben meer interacties met anderen extraverten hebben seksueel en agressieve humor

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

introverten hebben intellectuele en subtiele humor extraverten hebben meer seks

Extraverten staan meer open voor suggesties.

Commentaar op Eyseneck:

Hij heeft veel bijgedragen tot inzicht mbt de verschillende persoonstrekken

Hij bekeek trekken niet op zichzelf staand, maar in combinatie met andere trekken Zijn testen worden overal op de wereld gebruikt

Zijn wetenschappelijk vastgelegd

Hij heef tegen de stroom in moeten zwemmen.

- Allport: trekken bestaan echt en zitten in het zenuwstelsel. Trekken zijn regelmatig, intensief en situatieafhankelijk. Het commentaar op Allport is dat hij vaststelde dat veel trekken erfelijk waren, maar dat hij er te weinig onderzoek naar deed.

Alport maakt onderscheidt in trekken:

Cardinal traits: overheersend (totaal aan trekken, iedere handeling is traceerbaar naar kardinale trekken)

Central traits: bv eerlijk, vriendelijk, assertief (bepaald gedrag in bepaalde situaties) Secondary dispositions: trekken in verschillende mate (bepaald gedrag in sommige situaties)

FUNCTIONAL AUTONOMy: soms selecteert een persoon een beroep met een reden (bv veiligheid en plezier in het werk)

INDIOGRAPHIC RESEARCH: onafhankelijke studie van personen met het doel om meer over mensen te weten te komen. (dmv vergelijking)

Factoranalysetrekken van Catell

Hij kende 3 methoden van de persoonlijkheidsstudie: Bivariate: gecontroleerde experimenten (simpel)

Multivariate: objectieve en kwantitatieve analyse (studie van relaties over verschillende variabelen) clinical: intuïtie en rekening houden met variabelen

Cattell onderscheidt:

ability (belangrijkste), → nodig om effectief te kunnen functioneren bijv. intelligentie temperament, → gerelateerd aan het emotionele functioneren

dynamic, → welke doelen zijn belangrijk, motivatie

surface → kan duidelijk worden door gewoonweg te vragen

Source traits.→ bouwsteen van persoonlijkheid, factoranalyse is nodig om deze te ontdekken.

Cattell onderscheidt bij motivatie de aangeboren neigingen (ergs) en omgevingsgedetermineerde motieven (sentimenten). Gedrag wordt zowel door traits als door deze motivationele variabelen bepaald

Gedragingen volgens Catell

Volgens Catell is er een basismotivatie door biologische aanleg: ERG

SENTIMENT zijn gedragspatronen die zich uiten in houdingen en zijn terug te brengen tot ERG STATE zijn gemoedswisselingen (wordt veroorzaakt door eerder gedrag)

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Role: gedrag dat wordt beheerst door status en plaats.

SOORTEN VAN DATA

Vraagstelling: hoe ontdekken wij bronnen van trekken dat verschillende responsen over verschillende situaties afdekt.

Catell onderscheidt 3 soorten data

L-data: (life record data) gedrag in alledaagse situaties

Q-data: beantwoorden vragen door zelfinzicht

OT data: objectieve test dmv informatie

Catell heeft hiervoor de 16 P.F. ontwikkeld (16 personality factor)

Gereserveerd/open

Dom/slim

Stabiel/emotioneel

Nederig/assertief

Sober/leven bij de dag

Onverantwoordelijk/verantwoordelijk

Verlegen/op de voorgrond

Zachtaardig/hard

Vertrouwend/achterdochtig

Praktisch/onpraktisch (teveel verbeelding)

Voortvarend/bedeesd

Vredig/aanvallend

Conservatief/experimenteel

Groepsafhankelijk/individueel

Ongedisciplineerd/controle

Rustig/gespannen

PSCHYOPATHOLOGIE EN GEDRAGSVERANDERINGEN

Merendeel van neurotische patienten hebben een hoge neurotisme en een lage extraversie. Volgens Eysendeck ontwikkelt een persoon neurotische symptomen omdat er een gezamenlijke actie is van het biologische systeem en ervaringen dmv reacties op gevaarlijke stimuli. Eyseneck van kritisch tov de psychoanalytische theorie.

Psychoanalyse is geen theorie (is niet meetbaar) Ze wijken af van bestaande dimensies

abnormaal gedrag is deels aangeleerd en deels geërfd alle theorieën volgen leerprincipes

Hoofdstuk 8 Basisgezichtspunt bij trekkentheoretici.

Mensen mogen beschreven worden in termen van gedrag, gevoel en gedachten. Theoretici zijn overeengekomen dat gedrag en persoonlijkheid georganiseerd kunnen worden in een hiërarchie. Factoranalyse (meten van trekken) brengt deze termen terug tot een beperkt aantal groepen: The Big Five (goldberg). De Big Five is de meest gebruikte en best gevalideerde persoonlijkheidstest; de rapportage geeft inzicht in je persoonlijkheid, kwaliteiten en valkuilen. Je krijgt een uitstekend beeld hoe jouw persoonlijkheid zich verhoudt tot die van anderen. Weten wie of welke situatie bij je past begint bij het weten wie JIJ bent. Er blijken vijf woorden (thema's) te zijn waarmee je iemands persoonlijkheid in de volle breedte kunt beschrijven Elk van deze vijf bevat vele specifieke trekken (meer gespecificeerd in de NEO-PI-R, als 6 'facets' (zijn meer specifieke componenten van de hoofdtrek, bd extraversie is opgebouwd uit activiteit, assertiviteit, opwinding zoeken, positieve emoties en warmte) per trek. Zo kent Extraversie de onderdelen Activiteitenniveau, Assertiviteit,

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Opwinding zoeken, Positieve emoties, Gezelligheid en Warmte, elk gemeten door 8 items, zodat de hele NEO-PI-R bestaat uit 5 x 6 x 8 = 240 items) (NEO is schema waarin de trekken worden weergegeven)

Bevat onder meer:

-Openheid: ervaringen zoeken, het onbekende trekt. Hoog scoort nieuwsgierigheid, laag conventioneel

-Conscientiousness (nauwgezetheid scoort hoog, onbetrouwbaarheid laag): mate van organisatie, doorzettingsvermogen en motivatie.

-Extraversie: hoeveelheid en intensiteit van sociale interactie, activiteitenniveau. Sociaal scoort hoog en stil laag.

-Agreeableness: kwaliteit van interpersoonlijke oriëntatie. Zachtaardig scoort hoog en cynisch scoort laag.

-Neuroticisme: mate van emotionele stabiliteit. Nerveus scoort hoog en kalm laag. (geheugensteun OCEAN)

In de fundamentele lexiconhypothese heeft Goldberg de basis gelegd voor de toepassing van the big five. Hij suggereert dat gedurende de tijd mensen individuele verschillen hebben ontdekt die met name erg belangrijk zijn voor interactie. Deze trekken geven informatie over individuele verschillen die belangrijk zijn voor ons eigen welbevinden of dat van de groep. Ze zijn bijzonder nuttig vanwege de voorspelbaarheid en de controle. Dus de meest belangrijke persoonlijkheidsverschillen in interactie zijn mondiaal geencodeerd in taaltermen.

Steun voor Big Five uit drie hoeken:

*Alle talen kennen de termen

*Scores NEO-PI-R vertonen grote overeenkomst met bestaande schalen

Trekken zijn voor 40% genetisch bepaald, met variatie per trek (zo is recent ontdekt dat de trek 'nieuwe dingen zoeken' op een bepaald gen ligt.)

Maar: 1-persoonlijkheid is niet geheel biologisch bepaald;

2-omgevingservaringen, vooral in het gezin, blijken wel belangrijk, maar zijn voor elk kind verschillend;

3-genetische bepaaldheid betekent niet dat er niets kan veranderen.

Toepassingen vinden we in school- en beroepskeuze, gezondheidscijfers, diagnose afwijkingen (als richtingbepalend) en, het meest gebruikt, in relatietherapie, via Subject- en Objectdata, uit de twee vormen van de NEO-PI-R.

Het Big Five model zegt niets over oorzaak en achtergrond van trekken en over behandeling van afwijkende persoonlijkheid; het model stelt slechts de huidige toestand vast. Het is dus geen volle theorie.

McCrea en Costa: hebben een theoretisch model ontwikkeld die ze Five factory theorie noemen. Essentie is dat de Big Five een biologisch basis hebben (gelinkt aan hersenen en genen en redelijk onafhankelijk van de omgeving = intrinsic maturation) McCrea en Costa hebben de NEO- Personality Inventory Revised ontwikkeld waarbij de Big Five-factoren in zes meer specifieke facetten worden onderverdeeld. Elk facet wordt met acht items gemeten (totaal 240) middels een vijfpuntsschaal

Belangrijke punten:

Trekken zijn niet alles in de persoonlijkheid

Trekken hebben wel een belangrijke plaats in de persoonlijkheidstheorie.

Stabileit en verandering

Persoonlijkheid is meer stabiel over korte periodes dan over lange periodes Persoonlijkheid is meer stabiel tijdens volwassenheid dan gedurende de kindertijd

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Alhoewel trekken over het algemeen stabiel zijn, is er wel sprake van (kleine veranderingen) gedurende de ontwikkeling

Alhoewel trekken over het algemeen stabiel zijn, moet men rekening houden van (kleine veranderingen) door omgevingsinvloeden.

Er is een relatie tussen trekken en gezondheid (bv mensen met een hoge nauwgezetheid drinken en roken minder

Er worden ook verbanden gelegd tussen persoonlijkheidsstoornissen en trekken binnen de pathologie (bv een persoon met een compulsieve gedragsstoornis scoort hoog op nauwgezetheid en emotionele (in)stabiliteit.) Hierdoor bestaat er steeds meer belangstelling voor de Big Five theorie bij psychische behandelingen.

Over de hele wereld wordt „Big Five‟ gebruikt. Een struikelblok voor goede toepassing is de vertaling.

Trekken (structuur) gaan in process (motieven worden geassocieerd met trekken) maken groei en ontwikkeling door (aanleg en omgeving) en kunnen in extreme gevallen pathologie veroorzaken.

Kopie schema pagina 275

Mccrea, Coster: hebben verschillende leeftijdsgroepen bestudeerd. De verdeling is: 14-17 18-21 22-29 30-49 >50

The big Five is vooral gebaseerd op volwassenen. Door studie is gebleken dat er verschillen zijn tussen volwassenen en kinderen. Ouderen scoren lager op neuroticism, extraversie en openheid. Ze scoren hoger op agreeableness en conscientioness. Hieruit blijkt dat bij late tieners en jonge twintigers onbehagen, verzet en turbulentie meer voorkomt dan bij ouderen.

Er zijn wel crossculturele verschillen. Bij nauwgezetheid (C) scoren Britse jongeren hoger dan Duitse jongeren

Bij alle groepen zijn >50 het meest nauwgezet

Er wordt gesteld dat karaktereigenschappen bij jongeren zoals sociaal, actief en emotionaliteit zich tijdens het volwassen worden zich ontwikkelen als dimensies als extraversie en neuroticsm.

Er wordt gesteld dat de persoonlijkheidsstructuren meer complex en minder geïntegreerd is tijdens de kindertijd dan tijdens de volwassenheid

Bij cross culturele verschillen worden de meeste verschillen in menselijke interactie gezien als verschil in termen van de taal (fundamental lexical hyphotesis) Interactie betekent altijd: vijf fundamentele vragen gebaseerd op overleving van het individu en de soort; zo zou extraversie en emotionele stabiliteit gunstig zijn voor

partnerkeuze en trekken vallend onder C en A zijn belangrijk voor de overleving van de groep.

Trekken zijn pas trekken als ze stabiel zijn, in de tijd (longitudinaal) en over situaties (crosssituationeel). De eerste vooral na het 30e levensjaar. Crosssituationele stabiliteit is moeilijker aan te tonen: vragenlijsten bieden dus een serie situaties aan. Bovendien: divers gedrag in verschillende situaties kan uiting zijn van dezelfde trek (vgl. NEO's facets) en dus duiden op stabiliteit. Mogelijk moeten we uitgaan van 'domeinen van situaties' (huis, werk, school) waarbinnen sprake is van stabiliteit.

De beperkingen van de karaktertrektheorieën zijn vooral methodologische problemen, problemen met het traitconcept (definiëring) en negeren van belangrijke aspecten van de persoonlijkheid (zelfconcept, identiteit, cognitieve stijl, onbewuste concepten)

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Hoofdstuk 9: biologische onderbouwing van persoonlijkheid

Focus van dit hoofdstuk:

Wat zijn de redenen van het feit dat sommige mensen gelukkig zijn, maar anderen niet? Waarom zitten bepaalde mensen vol energie, terwijl anderen zich uitgeblust voelen? Zo zijn er nog meer verschillen op te noemen: impulsieve mensen tegenover voorzichtige mensen, optimistische mensen tegenover pessimistische mensen etc. etc. Vaak is er aangegeven dat ouders geloven in de invloed van de omgeving, nurture, wanneer ze hun 1e kind krijgen en dat ze

geloven in verschillen tussen temperamenten, nature, wanneer ze hun 2e kind krijgen. Verschillen tussen kinderen in een gezin zijn vaak erg groot.

Eeuwenlang hebben mensen geprobeerd om de relatie tussen lichaam en psyche te verklaren, en sinds 1880 Sir Francis Galton de begrippen nature (erfelijkheid) en nurture (milieu) naast elkaar heeft gezet, hebben de psychologen zich druk gemaakt over de relatie tussen beide begrippen. Gedurende de laatste tientallen jaren is er geweldig veel winst geboekt in het verklaren van biologische processen. Zorgen deze biologische processen voor verschillen in temperament en persoonlijkheid? De laatste 10 jaar voor het millennium is gekenmerkt als het

“decennium van de hersenen”. Hebben de inzichten van dit decennium ons verlicht met het inzicht van de relatie tussen hersenfuncties en persoonlijkheid? Biologische funderingen van persoonlijkheid zijn een snel veranderend veld en in dit hoofdstuk zullen we proberen de inzichten te verkrijgen en de vragen die overblijven proberen te beantwoorden.

Vragen die worden beantwoord in dit hoofdstuk:

Worden kinderen geboren met verschillen in hun karakters? Zo ja, hoe stabiel zijn zulke veranderingen en wat is hiervan de biologische basis?

Functioneren er universele aspecten van persoonlijkheid en zo ja, kan dan de evolutieleer ons informeren over de wortels van deze processen?

Welke rol spelen genen in de vorming van persoonlijkheid? Hoe is de interactie van de genen met de omgeving in de openbaring van de persoonlijkheid?

Is er een relatie denkbaar tussen het functioneren van de persoonlijkheid en de processen in de hersenen? Bijvoorbeeld: Kunnen karaktereigenschappen zoals die genoemd zijn in de vorige hoofdstukken, worden verklaard vanuit termen van individuele verschillen in het functioneren van de hersenen?

In zijn fascinatie naar het onderzoek van de relatie tussen biologie en persoonlijkheid, begint de vooraanstaande neuroloog Antonio Damasio in 1994 met de casus van Phineas Cage, die voorman in de bouw was en in 1848 een bizar ongeluk overleefde waarin een 1 meter lange ijzeren stang door zijn hoofd kreeg. Cage was bezig met het aanleggen van treinrails en hij stond op het punt om met behulp van explosieven een gat door een harde rots te blazen. Hij boorde een gat in de grond en vulde dit met explosieven, en vervolgens bracht hij een ijzeren stang aan. Daarna moest een lont worden aangestoken. Hoewel Cage werd omschreven als een expert op dit gebied, werd zijn aandacht in deze situatie afgeleid waarop de lading te vroeg afging. De ijzeren stang sloeg door zijn linker kaak, hierbij doorboorde het zijn schedelbasis, waarna het de voorste hersenen doorkruiste en het uiteindelijk via de bovenkant van zijn hoofd weer naar buiten vloog. Wonderlijk genoeg was Cage niet dood, hoewel hij wel verward was. Hij was in staat te wandelen en te praten. Hij kon tot in details vertellen wat er was gebeurd. Cage zijn karakter was echter wel veranderd, evenals zijn verlangens en afkeren en zijn dromen en inspiraties. Cage was niet langer Cage. Niet langer meer serieus, energiek en verantwoordelijk. Cage was nu onverantwoordelijk, hij had een gebrek aan planning en was onverschillig in het aanvaarden van de consequenties van zijn daden. Het stuk ijzer had grotendeels een stuk van Gage zijn frontale cortex vernield.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Waarom wordt dit verhaal naar voren gebracht? Damasio suggereert dat we in deze casus het belang van de hersenen kunnen zien m.b.t. menselijke eigenschappen. De visie dat lichaam en psyche, biologie en persoonlijkheid, verbonden zijn met elkaar heeft een lange historie. Laat ons beginnen met het opsporen van deze historie in relatie tot het concept van temperament, door velen beschouwd als een fundamenteel aspect van onze persoonlijkheid.

Je hebt evenveel keuze in sommige aspecten van je persoonlijkheid als je hebt in de vorm van je neus of de maat van je voeten. Psychologen noemen dit de biologisch, aangeboren dimensie van persoonlijke temperament.

Psychologen zijn lang geïnteresseerd geweest in het concept van temperament, gedefinieerd als individuele verschillen in algemene stemmingen of de kwaliteit van de emotionele reactie. Zoals gesuggereerd in de introductie, word er aangenomen dat verschillen in temperament grotendeels geërfd zijn en biologisch te verklaren zijn.

Het concept van temperament verwijst naar elke matig stabiele, variabele emotionele en gedragsmatige kwaliteit, die bij de verschijning in de kindertijd beïnvloed is door overgeërfde biologie, met inbegrip van verschillen in de neurochemie van de hersenen (Kagan). In het geheel zijn de sleutelelementen van het concept van het temperament:

de individuele verschillen in emotionele kwaliteit, die vroeg ontstaan,

redelijk stabiel blijven, zijn overgeërfd

en hun basis vinden in psychologische processen.

Gesteldheid en temperament: vroege visies

In hoofdstuk 7 hebben we aandacht besteed aan de relatie tussen de twee basisdimensies van persoonlijkheid van Eysenck en de door de Griekse geneesheren Hippocrates en Galen (hoofdstuk 7, figuur 7.2) benoemde vier hoofdtypen van temperament. De Grieken geloofden dat al het natuurlijke was gevormd uit vier elementen, namelijk:

Lucht;

Aarde;

Vuur;

Water.

Hippocrates en Galen gingen verder door hun suggestie dat deze vier elementen terugkwamen in het lichaam in de vorm van vier menselijke vloeistoffen (bloed, zwarte gal, gele gal, slijm), welke correspondeerden met een temperament:

Sanguistisch;

Melancholisch;

Cholerisch;

Flegmatisch.

figuur 9.1 (blz. 301)

Vanuit hieruit kunnen we doorgaan naar het werk van Franz Joseph Gall, vaak gezien als de oprichter van phrenology (vertaling onbekend), die hersengebieden probeert te lokaliseren die verantwoordelijk zijn voor verschillende aspecten van het emotionele en het gedragsmatige functioneren. Deze visie was populair in de 19e eeuw, maar werd hierna in diskrediet gebracht met aanduidingen als kwakzalverij en bijgeloof. Gal was echter een prima anatoom en een serieuze wetenschapper die zijn werk de psychologie van de hersenen noemde.

William Sheldon, die voortborduurde op het werk van de Duitse psychiater Kretschmer (zie blz. 301), suggereerde dat ieder mens een overgeërfde biologische lichaamsstruktuur heeft, die iemands temperament aangeeft. Hij definieerde drie lichamelijke dimensies, welke de drie volgende somatotypen werden genoemd:

Endomorf (zacht en rond) Mesomorf (hard en gespierd)

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Ectomorf (slank en dun)

Liefde voor lichamelijke comfort, verlangen naar eten, aimabel, zelf- voldaan, heeft mensen nodig bij problemen.

Assertief, liefde voor fysiek avontuur, energiek, dominerend, machtslust, verlangen naar risico en kansen, competief ingesteld.

Verlangen naar privacy, snelle reacties, emotioneel gereserveerd, gevoelig voor pijn, chronische vermoeidheid, zelfbewust.

Gesteldheid en temperament: studies

Omdat er weinig onderzoek naar de ontwikkeling van de persoonlijkheid was gedaan, volgden Alexander Thomas en Stella Chess 100 kinderen van geboorte tot volwassenheid. Ze classificeerden 3 temperamenttypes m.b.t. kinderen, namelijk:

Makkelijke baby‟s, die speels en flexibel waren; Moeilijke baby‟s, die negatief en niet flexibel waren;

Langzaam op gang te komen baby‟s, die erg traag waren en mild in hun reacties.

Er is door Thomas en Chess en andere onderzoekers een link gelegd naar vroege verschillen in het temperament en latere persoonlijkheidskenmerken. Om een paar voorbeelden te noemen: moeilijke baby‟s hadden op latere leeftijd de grootste moeite om zich aan te passen, terwijl makkelijke baby‟s de minste moeite hadden om zich op latere leeftijd aan te passen. Thomas en

Chess gaven verder aan dat de ouderschapsstijl en het temperament van het kind echt bij elkaar moeten passen.

Gesteldheid en temperament:

Kagan‟s onderzoek naar onderdrukte en vrijgelaten kinderen

De noodzaak om meetwaarden te hebben van temperament werd onderkend bij de ontwikkelingspsycholoog Kagan. Kagan vond twee zuiver gedefinieerde gedragsprofielen m.b.t. het temperament, namelijk onderdrukte (inhibited) en vrijgelaten (uninhibited) kinderen. Het onderdrukte kind reageert met weerstand, vermijding en stress op een onbekend persoon of een onbekende gebeurtenis. Het duurt langer voordat het kind ontspannen is en het kind heeft meer ongebruikelijke angsten en fobieën. Zo‟n kind gedraagt zich timide en voorzichtig. Bij onbekende dingen wordt het kind rustig en zoekt het de ouderlijke zekerheid of loopt het weg en verschuilt zich.

Het vrijgelaten kind lijkt echter te genieten van de situaties die het onderdrukte kind beangstigen en reageert spontaan in nieuwe situaties.

Kagan had de volgende hypothese opgesteld: zeer gevoelig geboren kinderen zouden onderdrukte kinderen worden en laag gevoelig geboren kinderen zouden vrijgelaten kinderen worden. M.b.v. onderzoeken naar kinderen in verschillende leeftijdscategorieën bevestigde Kagan deze hypothese; de zeer gevoelige kinderen vertoonden meer angstig gedrag in reactie op onbekende situaties en mensen dan de laag gevoelige kinderen. Aan de andere kant was er ook ruimte voor verandering, wanneer het temperament vrij stabiel was. De meesten van de hooggevoelige kinderen ervoeren niet constant angst, maar dit hing dan wel weer af van de moeder. Was die beschermend en stelde ze redelijke eisen, dan werd het kind ook minder angstig. Aan de andere kant gaf Kagan verder aan dat het zeer moeilijk is om iemands geërfde aanleg volkomen te veranderen.

Drie onderzoeksmethoden die gebruikt worden door gedragsgenetici om de relatie tussen genen en gedrag vast te stellen zijn:

Selective breeding → Wordt gebruikt bij dieren. Er worden dieren gefokt met bepaalde genetische eigenschappen en dan wordt er gekeken wat de invloed van het milieu is.

Tweelingstudies → verschil tussen homozygoot en hetrozygoot. Bij de eerste zijn verschillen te wijten aan de omgeving, bij de tweede zouden overeenkomsten te wijten zijn aan de omgeving

Adoptiestudies → geadopteerde kinderen worden vergeleken met hun pleegouders (zelfde omgeving) en met hun natuurlijke ouders (genetisch)

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Drie soorten genen-omgevingsinteracties:

Dezelfde milieuomstandigheden kunnen verschillende invloeden hebben op genetisch verschillende individuen.

Genetisch verschillende individuen kunnen verschillende responsen oproepen vanuit het milieu. Individuen met verschillende eigenschappen selecteren en creëren verschillende omgevingen.

Drie temperamentdimensies:

NE → negatieve emoties

PE → positieve emoties

DvC → ongeremd vs. gedwongen, vast

Plasticiteit → het vermogen van delen van het neurobiologische systeem om te veranderen, gedurende korte of langere tijd binnen de grenzen van wat genetisch mogelijk is, om daardoor beter te kunnen reageren op veranderde eisen of als gevolg van ervaring.

Evolutietheorie en persoonlijkheid: de moderne synthese, deel 1:

Biologen en psychologen onderscheiden zich door twee verschillende verklaringen: ultieme oorzaken en proximale oorzaken. Ultieme oorzaken verwijzen naar verklaringen die verbonden zijn aan de evolutie, met andere woorden: organismen die hun adaptieve taken oplossen geven hun genen door aan de volgende generaties. De focus ligt op de ontwikkeling van het organisme. Proximale oorzaken verwijzen naar de biologische processen die geobserveerd worden op het moment zelf. In dit hoofdstuk zal het accent komen te liggen op evolutiegebaseerde interpretaties van persoonlijkheid.

Hoofdstuk 10 Leertheorieen

De leertheoretische benadering van persoonlijkheid legt de nadruk op de leerprincipes en het experimenteren van helder geformuleerde hypothesen. In samenhang daarmee ligt ook de nadruk op het situatie specifieke van gedrag, de toepassing van de leerprincipes op gedragsverandering en het afwijzen van het medische symptoom-ziekte model van de psychopathologie. In deze benaderingen staat centraal dat bijna alle gedrag is aangeleerd (en dus ook kan worden afgeleerd). Empirisch onderzoek, objectief op grond van strak omschreven hypothesen, naar observeerbaar, situatiespecifiek gedrag; geen introspectie. Bij psychopathologie niet de oorzaak zoeken, maar het gedrag zelf aanpakken, dat in stand wordt gehouden door versterking uit de omgeving.

Watson kwam met een voor een behaviorist een rationele benadering van de psychologie.

PAVLOV, de naam die hoort bij klassiek conditioneren, het voorwaardelijk maken van (reflex- )gedrag aan een (aanvankelijk neutrale) stimulus. Experimentele neurose: verwarring omdat er niet meer gediscrimineerd kan worden, cirkel en ellips lijken te veel op elkaar.

Generalisatie → een repons die geconditioneerd is bij een bepaalde stimulus treedt ook op bij een vergelijkbare stimulus.

Discriminatie → als er op sommige stimuli een ongeconditioneerde stimulus volgt, bijv. na een bepaald geluid een schok, zal men leren om de verschillende stimuli te onderscheiden.

Extinctie → als de stimulus niet meer gevolgd wordt door de ongeconditioneerde stimulus zal er uitdoving plaatsvinden.

Geconditioneerde emotionele reacties: de 11 maanden oude Albert leerde bang te zijn voor een rat. Therapie is dan gericht op extinctie van de problematische respons of het conditioneren van nieuwe responsen aan de stimuli die daarvoor angst gaven.

Wolpe's Systematische Desensitisatie is een voorbeeld.

De klassieke conditionering wekt de suggestie dat veel abnormaal gedrag het resultaat is van geconditioneerde responsen op verkeerde stimuli. De casus van kleine Albert is daar een voorbeeld van. De klassieke conditionering kent zijn toepassing in de casus van Peter en het witte konijn, in de

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

behandeling van bedplassen van kinderen en de systematische desensitisatie. Bij de systematische desensitisatie volgt de relaxatierespons op een hiërarchisch toenemende voorstelling van de stimulus die angst oproept.

SKINNER, operant conditioneren. Een operant is een door het organisme uitgevoerde response, die wel of niet een gewenste situatie oplevert. Indien ja: het gedrag zal vaker optreden. Door het onder controle houden van de omgeving via bekrachtiging zal orde ontstaan.

Een aanvankelijk neutrale S (geld) kan een versterker worden door verbinding met andere bestaande versterkers. (Voor sommig gedrag is overigens moeilijk een versterker te vinden!) Belonen gebeurt bij Skinner in schema's. Complex gedrag komt tot stand door het belonen van deelgedrag. Straf, als negatieve bekrachtiger, werkt zwakker dan de positieve variant beloning.

Volgens Skinner is psychopathologie is niets anders dan het niet geleerd hebben van de adequate respons of de respons te vertonen in de verkeerde situatie. Deze zouden ook zijn veroorzaakt door bekrachtiging uit de omgeving. Volgens de behavioristen omvat de toepassing van hun theorie een analyse van de voorafgaande omstandigheden, het gedrag zelf en de consequenties van het gedrag, de ABC‟s. (Antecedent, behaviour, consequences) Daarbij wordt er onderscheid gemaakt tussen de sign en sample benadering waarbij bij de eerste persoonlijkheid is afgeleid uit testresponsen en bij de tweede men geïnteresseerd is in het gedrag zelf en hoe het beïnvloed wordt door omgevingsfactoren. Behandeling bestaat na de zogenaamde functionele gedragsanalyse: bepaling specifieke gedrag, specifieke omgeving en elementen in die omgeving die manipuleerbaar zijn.

Er is niet een methode van gedragstherapie of gedragsverandering, maar de basis wordt gelegd door de leertheorie. Bij gedragsverandering spelen de operante conditionering, gewenst gedrag en vorming door stadia van opeenvolgende approximatie een rol. Bekrachtigingen die gemanipuleerd worden zijn de oorzaak van gedragsverandering, denk bijv. aan de token economy

Assesment van targetgedrag → maakt gebruik van de functionele analyse waarin het gedrag, de situatie waarin het gedrag plaatsvindt en de reacties van anderen uitgebreid beschreven worden. Functionele analyse houdt in: identificatie van specifiek gedrag en van specifieke omgevingsfactoren die het gedrag uitlokken, aansporen of bekrachtigen en identificatie van omgevingsfactoren die kunnen worden gemanipuleerd om het gedrag te veranderen

Structurele concepten van persoonlijkheidstheorie van Hull: gewoonte en motieven.

In de stimulusresponse leertheorie van Hull en van Dollard en Miller wordt aangegeven dat gewoonten aangeleerd worden door bekrachtiging van simulus-response verbanden. Bekrachtiging bestaat uit de reductie van primaire of aangeboren drive of de secundaire of aangeleerde drive zoals bijv. angst. Wat betreft groei en ontwikkeling gaat men uit van de benadering dat gewoonten ontstaan door bekrachtiging en imitatie. De S-R benadering legt de voornaamste oorzaak bij de rol van toenaderings-vermijdings conflicten en door angst geregeerde motieven. De basis principes van leren bieden bij de overigen leertheorieen een adequaat begrip van abnormaal gedrag.

De theorieën gebaseerd op de leertheorieen zijn divers op verschillende gebieden. Wat ze echter als groep gemeen hebben t.o.v. de traditionele persoonlijkheidstheorieën, is dat ze een grotere nadruk leggen op specifiek gedrag en algemene wetten van leren.

Leertheorieen vinden onderzoek belangrijk en staan open voor theoretische ontwikkelingen. Bijkomend heeft men de nadruk gelegd op het belang van omgevingsfactoren en een dogmatische benadering voor behandeling welke heeft geresulteerd in de ontwikkeling van nieuwe procedures van gedragsverandering.

Op hetzelfde moment neigen deze theorieën ernaar om persoonlijkheid te simpel voor te stellen en belangrijke fenomenen te negeren. Daar komt bij dat er nog steeds geen eenduidige leertheorie is en er nog meer bewijs zal moeten worden gevonden voor de effectiviteit van de behandeling.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Hoofdstuk 12 Een cognitieve theorie over de persoonlijkheid en een evaluatie van Kelly’s theorie

Psychopathologie

Volgens Kelly is psychopathologie een verwarde/ziekelijke respons op bezorgdheid omdat het construct systeem niet goed functioneert. Hierdoor blijft abnormaal gedrag bestaan. Net als bij Freud en Rogers speelt bezorgdheid, angst en dreiging en grote rol in zijn theorieën. Zowel een neurotisch als een psychotisch persoon vechten tegen bezorgdheid. De eerste zoekt naar een nieuwe manier om gebeurtenissen in te plaatsen terwijl en de laatste een tijdelijke maar kwetsbare oplossing heeft gevonden voor zijn ongerustheid.

Problemen van het construct systeem

Op welke manier blijven fouten in het construct systeem te behouden? Zij hebben te maken met: De manier waarop ze construct gebruiken voor nieuwe informatie (permeable-impermeable). Te grote doordringbaarheid leidt ertoe dat men moeilijk mensen en gebeurtenissen kan onderscheiden. Ondoordringbaarheid leidt echter tot stereotypering, hokjes plaatsen en ziet men vaak bij mensen met dwanghandelingen.

Op welke manier constructen gebruikt worden voor voorspellingen (tightening of loosening) In beide gevallen hebben voorspellingen geen waarde. Tigthening vaak bij mensen met dwanghandelingen en loosening bij psychotische personen.

De manier waarop het totale systeem is georganiseerd (constriction of dilation) Constriction bij depressieve mensen omdat ze hun interesses beperken en dilation bij manische personen want zij gaan van onderwerp naar onderwerp en bouwen vanuit een paar ideeën hele theorieën. Volgens Kelly is psychopathologie de prestatie om ongerustheid tegen te gaan. Lukt dit niet dan heeft het constructsysteem listen waarvan sommige lijken op de verdringing zoals bij Freud (zie submerge)

Zelfmoord en oorlogshandeling

Volgens Kelly zijn zelfmoord en oorlogshandeling inspanningen om dreigingen op het construct systeem te verminderen. Bij zelfmoord ontsnapt men van zekerheid (fatalisme) of onzekerheid en bij de oorlogshandeling probeert men andere te laten gedragen op de verwachte manier.

Kelly maakt een onderscheidt tussen oorlogshandeling en agressie want bij agressie gaat het alleen om de expansie van persoonlijkheid constructsysteem en heeft niets te maken met het functioneren van andere mensen.

Samenvatting

Of mensen ziek zijn en geholpen moeten worden hangt af van hun constructen en hoe andere deze construeren.

Verandering

Psychotherapie is een proces van reconstrueren het constructsysteem. Sommige moeten vervangen worden andere meer openvoor nieuwe dingen etc.

Voorwaarden die verandering mogelijk maken

Kelly: drie voorwaarden om nieuwe constructen te maken of om te veranderen zijn: De belangrijkste er moet een sfeer zijn om te experimenteren

Nieuwe elementen moeten voorradig zijn (draagt de therapeut aan)

Deugdelijke gegevens bruikbaar (cliënt kan hypothesen toetsen aan mening therapeut)

Fixed-role therapy

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

In de fixed role therapie worden cliënten aangemoedigd om zich zelf op een nieuwe manier voor te stellen te gedragen en te construeren. Doel is een reconstructie van henzelf. Deze techniek van Kelly zorgt voor verandering van constructen.

Dit gebeurt op de volgende manier: een groep psychologen schrijft een script en de cliënt moet zich een bepaalde periode daarnaar gedragen om meer inzicht in zichzelf te krijgen en te oefenen met nieuw gedrag. In deze periode regelmatig gesprekken hoe dit nieuwe construct systeem bevalt.

Ophelderend onderzoek

Superordinate constructen zijn moeilijker te veranderen dan ondergeschikte omdat ze het constructsysteem meer ontwrichten. Ook moeten constructen eerst zwakker zijn willen ze nieuwe elementen herkennen. Therapeuten hebben Kelly‟s therapie op verschillende manieren toegepast maar een groot deel is nog niet ontdekt.

Vergelijkingen met andere benaderingen

Psychotherapeutische benadering Overeenkomst

Verschil Psychoanalyse

Onbewust (submerged construct) bezorgdheid en verdediging, overdracht Constructief alternativisme vs. Ontdekken van de waarheid (inzicht) Fenomenologie, existentieel humanisme

Holistisch, focus op bedoeling en ontdekking, zelfverwezenlijking nadruk op groei Een cliënt komt niet naar de therapeut om hem oprecht te zien zijn maar voor hulp. Leer/gedrag

Nadruk op experimenten met nieuwe manieren van gedrag en het testen van hypothesen (construct)

Wanneer je alleen naar gedrag kijkt verlies je het gezicht van de persoon.

Een case: Ronald Barret

In de case van Ronald Barrets illustreert Kelly‟s bijdrage om een persoonlijke construct analyse te gebruiken in een fixed-role therapie als een techniek om het constructsysteem te veranderen. Wanneer je niet weet wat mis is met een persoon laat hem dan zelf zijn persoonlijkheid omschrijven (Zelfbeschrijvende sketch). Kelly doet dit bij Ronald.

Tijdens de constructie kijkt Kelly door de ogen van de cliënt. Hij zoekt naar de thema‟s overeenkomsten en contrasten en zet dit om in constructen.

Fixed-role therapy

Kelly maakt een sketch voor Ronald met daarin een opdracht verwerkt en noemt de persoon Kenneth Norton genoemd. In eerste instantie vindt Barret het moeilijk deze rol te spelen maar wanneer hij in zijn omgeving en van de therapeut complimentjes krijgt over zijn nieuwe gedrag krijgt hij vertrouwen. Tijdens therapie oefenen ze ook regelmatig Kenneth zijn gedrag. De rol begint beter te passen en hij voelt zich minder onzeker in sociale situaties en toont meer warmte en wordt spontaner. Dit voorbeeld laat zien hoe Kelly een individu bouwt en op welke wijze hij constructen verandert.

Een case over Jim

Rep Test: persoonlijke construct theorie

In Kelly‟s Rep test moest Jim bij elk onderwerp een eigen construct en een tegengesteld construct bedenken. De belangrijkste thema‟s waar Kelly ze op indeelt zijn:

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Kwaliteit van de interpersoonlijke relaties, (warm koud, gevend narcistisch) constructen: geeft liefde <-> richt zich op zichzelf, gevoelig <-> ongevoelig, praat met andere mensen <-> is niet geïnteresseerd in andere.

Veiligheid, constructen: onzeker <-> zelfverzekerd, tevreden met het leven <-> ongelukkig, in de war <-> gezond.

Via constructen wordt het duidelijk hoe (Jim) zich zelf ziet hoe hij zou willen zijn en waar er contrasten zijn met zijn familie en vrienden (zelfde oefening gedaan)

Commentaar op de gegevens

De Rep test geef ons informatie over hoe Jim zijn omgeving construeert en waarom hij met bepaalde dingen moeite heeft. Met de Rep test hebben we alleen de botten (zijn constructen helpen ons te begrijpen hoe hij gebeurtenissen interpreteert en de toekomst voorspeld) maar niet het vlees op de botten (het gevoel van de persoon die bijvoorbeeld naar warmte hunkert etc..)

In verband brengende gezichtspunten en recente ontwikkelingen

Onderzoek heeft zich met name gericht op de Rep test. Recent onderzoek, van de persoonlijke construct theorie is binnen het kader van de cognitieve psychologie bestudeerd en heeft het volgende opgeleverd.

De organisatie van constructen laat overeenkomsten met de ontwikkelingstheorie van Piaget zien.

Higgins: wat bepaald of een construct wordt geactiveerd en aan het werk gaat -> de chronically accessible construct constructen die makkelijk door een klein beetje informatie geactiveerd worden. Gebeurt zowel bewust als onbewust. Deze constructen bepalen hoe we de wereld zien en kunnen verandering tegen houden. (Wanneer we geloven dat we slecht zijn dan herinneren we alle situaties waarin we slecht zijn.).

Cultuurverschillen: westen verschil tussen persoon en omgeving bij verklaren gebeurtenis andere minder. Waarom focussen sommige culturen zich op contrast en andere op overeenkomst en waarom blijven ze dat zo doen.

Kritische evaluatie

Kracht en beperkingen van de theorie Kracht

Beperkingen

Legt de nadruk op het cognitieve proces en het centrale aspect van persoonlijkheid Heeft niet geleid tot onderzoek om de theorie uit te breiden.

Toont een model voor persoonlijkheid dat voorziet in de rechtmatigheid van het in algemeen functioneren van de persoonlijkheid en het unieke van het individuele construct systeem

Levert geen bijdrage, gaat niet in op om belangrijke aspecten (groei, ontwikkeling, emoties) van de persoonlijkheid te begrijpen

Bevat ook een aan theorie gerelateerde techniek voor assessment en onderzoek (Rep test) Is op dit moment niet verbonden met meer onderzoek en de theorie van de cognitieve psychologie.

Vergelijkingen met andere theorieën

Volgens Kelly zijn er drie dingen nodig om een construct te vormen: een waargenomen gelijkheid tussen twee elementen om een gelijke pool te vormen en een waargenomen verschil in het derde element om een contrast pool te vormen. Vergelijk met andere theorieën mogelijk en concluderen welke constructen relevant zijn voor de persoonlijkheid.

Kelly en Freud

Kelly kritiek op Freud op de volgende punten:

Hoe hij naar mensen kijkt, het dogmatisme en het gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing. Hij ziet mensen als een biologisch organisme niet als wetenschapper.

Zijn metaforen en de nadruk op het onderbewuste en instincten.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Overeenkomt:

clinicus bepaald dat er wat fout gaat in de mens zelf (interpretatie daarvan wel verschillend) Hoe mensen andere zien verteld wat over hen zelf en weerstand duidt op dat een persoon iets niet weten wil. Ook aandacht voor dromen

basis therapie is verandering

Kelly en Rogers Overeenkomsten:

Personen meer actief dan reactief Fenomenologische benadering totale functioneren

Verschillen

Kelly minder nadruk op het zelf

Rogers a-historisch maar Kelly wil weten vanuit verleden hoe construct systeem is opgebouwd. Rogers nadruk op being en becoming Kelly op make-believe en doing.

Therapie: Rogers: voelen, congruent, Kelly: denken, manipuleren.

Kelly en de Trek theorie Verschillen

Aannames: Kelly klinisch en nadruk op cognitieve processen en Trek theorie correlaties. Functioneren menselijk organisme: trektheorie mens stabiel en onveranderbaar (statisch) terwijl Kelly een mens is actief, interpreteert, maakt onderscheid en kan veranderen (dynamisch). Zoeken beide naar verschillen tussen mensen maar de Trek theorie plaatst deze in dimensies (Big Five) en Kelly is geïnteresseerd in algemene principes voor alle mensen en individuele verschillen (unieke personen)

Kelly en de leertheorie

Vanuit persoonlijk construct theorie is de leertheorie te simpel, een mechanisch model om iets te zeggen over menselijk gedrag. Meer geïnteresseerd in totale mens en wat er binnen gebeurt dan een respons.

Constructen belangrijk voor de persoonlijkheidstheorie

Belangrijke concepten

In Kelly's persoonlijkheids constructsysteem is de

Premeable (doordringbaar) construct een construct dat nieuwe informatie toelaat. Impermeable (ondoordringbaar) construct een construct dat geen nieuwe elementen toelaat.

Tightening (vasthoudend?) Het gebruik van constructen om dezelfde voorspellingen te doen en daarbij geen rekening te houden met de omstandigheden.

Loosening (verslapping) het gebruik van hetzelfde construct om verschillende voorspellingen te doen.

Constriction (samentrekking) vernauwing van het constructsysteem om onverenigbaarheden te minimaliseren.

Dilation (uitzetten) verbreden van het constructsysteem zodat het veelomvattender/uitgebreider wordt.

Submerged (verzwolgen, ondergedompeld) construct een construct dat eens in woorden uitgedrukt kon worden maar nu kan voor beide polen in woorden uit te drukken, Agressie (Kelly) de actieve uitbreiding van het persoonlijkheidsconstruct systeem

Hostility (oorlogshandeling) Kelly er voor zorgen dat andere zich gedragen op de manier waarop men dat verwacht om je eigen constructsysteem te bevestigen.

Fixed-role therapie, Kelly‟s therapeutische techniek welke gebruik maakt van scripts en rollen voor mensen om uit te proberen, uit te dagen en moed te geven om zich op een nieuwe manier te gedragen en te zien.

Chronically accesible (chronisch ontvankelijk) construct: Higgins concept van een construct dat gemakkelijk wordt geactiveerd op basis van een beetje informatie.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Kelly in een oogopslag Structuur

Constructen Proces

Proces bepaald door anticipatie op gebeurtenissen Groei en ontwikkeling

Vermeerdering complexiteit en begrenzing van construct systeem Pathologie

Niet goed functioneren van het construct systeem Verandering

Psychologische reconstructie van het leven, uitnodigende stemming, fixed role therapie. case

Ronald Barret

H13 Sociaal Cognitieve Theorie (SCT): Bandura en Mischel

SCT komt voort uit de traditionele leertheorie (H10). Ze benadrukt de sociale oorsprong van gedrag en het belang van cognitieve denkprocessen in al het menselijk functioneren.

De nadruk ligt op het feit dat gedrag afhankelijk is van de situatie, dat voor verschillende situaties, verschillende soorten gedrag bestaan.

Wat onderscheidt SCT van eerdere theorieën:

Nadruk op de mens als „active agent‟ nadruk op sociale oorsprong van gedrag nadruk op cognitieve (denk)processen nadruk op gedrag als situatiespecifiek nadruk op systematisch onderzoek

nadruk op leren van complexe gedragspatronen zonder beloningen (in tegenstelling tot bekrachtigingtheorieën)

Tegenwoordig meest populaire persoonlijkheidstheorie in academische wereld.

Albert Bandura geboren in Canada

van begin af aan interesse in leerprocessen tijdens studie beïnvloedt door Miller en Dollard onderzoek naar invloed rolmodellen

Recent werk: menselijke motivatie en de implicaties van gevoelens en competenties voor psychologisch en lichamelijk welbevinden

Walter Mischel Wenen

Gefascineerd door Freud later niet meer: theorie bleek niet toepasbaar in werk met delinquente jongeren

beïnvloedt door Kelly en Rotter Samenwerking met Bandura in Stanford

Boek Personality and Assesment: sceptisch over traditionele persoonlijkheidstheorieën

(psychoanalyse en „trait‟ theorie)

Tegenwoordig prof aan Cambridge University

View of the person

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Bandura en Mischel: mens is niet passief slachtoffer van omstandigheden, hij is actief en gebruikt cognitieve processen in interactie met omgeving.

Afwijzen: mens gestuurd door innerlijke drijfveren, maar ook: mens is geen speelbal van omgevingsstimuli.

SCT: gedrag kan verklaard worden in termen van interactie tussen persoon en omgeving: reciprocal determinism (wederkerig).

De mens reageert op omgeving en construeert en beïnvloedt actief situaties.

View of science, theory and research

Bandura en Mischel vinden beide het gebruik van theorie en empirisch onderzoek belangrijk. Zowel self-report als systematische observatie gebruiken.

Social cognitive theory of personality

Nadruk op cognitieve processen:

Expectancies - Beliefs (verwachtingen – overtuigingen)

Competencies – skills (competenties – vaardigheden/bekwaamheden)

Goals (doelen)

STRUCTURE

Expectancies-Beliefs

Expectancies over gebeurtenissen en beliefs over henzelf. Volgende cognitieve processen spelen hierbij een rol: 1. Categoriseren van situaties

2.Anticiperen op toekomst

3.Zelfreflectie

Mensen hebben algemene expectancies en beliefs, maar ontwikkelen ook expectancies en beliefs in relatie tot specifieke omstandigheden en/of groepen.

De mens kan situaties onderscheiden (itt dieren) in termen van wat de behoeften zijn (honger, seks, veiligheid).

Mensen beoordelen en interpreteren deze situaties verschillend (wat voor de een bedreigend is hoeft dat voor de ander niet te zijn) en gedragen zich dan ook verschillend (ook al betreft het dezelfde situatie).

Discriminations among Situations and the Constancy of Personality (onderscheid tussen situaties en de constantheid van persoonlijkheid)

Volgens de theorie ontwikkelen Individuen if…then (als…dan) verwachtingen. Als gevolg hiervan ontwikkelen zij stabiele patronen van situatie-gedrag relaties.

Is hier bewijs voor?

Uit self-report gegevens blijkt duidelijk dat mensen zichzelf zien als individuen die zich verschillend voelen en gedragen in verschillende groepen of omstandigheden.

Wordt dit ondersteund door objectieve metingen?

Er worden aanwijzingen gevonden in een studie van Mischel. Op een kinderkamp wordt er een enorme hoeveelheid observaties van kinderen verzameld. In termen van gedrag, geobserveerd in verschillende situaties, op verschillende tijdstippen.

Uitkomsten: Er werd duidelijk bewijs gevonden dat individuen onderscheidende, stabiele profielen hebben om bepaald gedrag te uiten in verschillende omstandigheden.

Conclusie: individuen hebben kenmerkende profielen van situatie-gedrag relaties (situation- behavior relationships) deze worden behavioral signatures genoemd.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

The Self and Self-Efficacy Beliefs

SCT suggereert dat mensen niet een selfconcept hebben maar self-conceptions en self-control porcessen, die variëren van tijd tot tijd en van situatie tot situatie.

Bandura: self-efficacy: ervaren/waargenomen bekwaamheden om om te gaan (cope) met specifieke situaties. Wij gedragen ons anders wanneer we ons zeker voelen, dan wanneer we ons onzeker voelen.

Onze perceptie van hoe bekwaam wij onszelf in bepaalde situaties vinden (self-percept of efficacy) beïnvloedt denkpatronen, prestaties, motivatie en emotionele arousal.

Volgens Bandura hanteren wij een microanalytic research: we onderzoeken eerst mbv self- efficacy onszelf voor we iets doen of gedrag vertonen in een bepaalde situatie. Self-efficacy beoordelingen zijn situatiespecifiek.

Goals

Heeft te maken met de bekwaamheid van mensen om te anticiperen op de toekomst en zichzelf te motiveren. Doelen helpen ons prioriteiten te stellen en te kiezen uit verschillende situaties.

Competencies – Skills

SCT vooral geïnteresseerd in cognitieve competenties en vaardigheden.

Nieuw: hoe functioneert iemand in relatie tot specifieke situaties, dus altijd in context plaatsen. Dit in plaats van: context vrije trekken (traits) die een mens zou hebben.

PROCES

Gedrag wordt in stand gehouden door verwachtingen en door te anticiperen op te verwachten gevolgen van gedrag.

Goals, Standards and Self-regulation

Mensen zouden interne standards hebben om het eigen gedrag en dat van anderen te beoordelen. Deze standard (norm) beïnvloedt ook de doelen die je stelt.

Self-reinforcement (zelfbekrachtiging) is heel belangrijk wanneer externe bekrachtiging ontbreekt.

Het bijzondere is dat mensen juist vooruit kunnen kijken: we kunnen anticiperen op te verwachten uitkomsten en daar plannen voor maken. Prestatie standards en te verwachten gevolgen leiden tot doelgericht gedrag.

Dit betekent:

mensen zijn pro-actief en niet reactief

door mogelijkheden eigen standards te stellen is zelfregulatie mogelijk, wat controle geeft.

Self-efficacy and performance

Self-efficacy judgments beïnvloeden gedachten, emoties en handelingen. Stelt normen en doelen vast en beoordeelt het vermogen een taak uit te voeren.

Bandura kreeg later meer aandacht voor motivatie.

Ging onderzoek doen naar de effecten van het hebben van doelen en prestatiefeedback op motivatie.

Hij ging ervan uit dat hoe groter het verschil tussen normen (standards) en prestaties (performances), hoe groter de ontevredenheid met zichzelf.

Conclusie onderzoek: duidelijk ondersteunend bewijs voor de theorie dat doelen motiverende kracht hebben door zelfevaluatie en self-efficacy judgments.

Intrinsieke belangstelling ontwikkelt zich als:

Er sprake is van uitdagende normen, die een positieve zelfevaluatie teweeg brengen. Gevoel van self-efficacy om aan deze normen te voldoen (ik kan deze normen bereiken). Demotiverend: als je jezelf niet capabel acht het doel te bereiken.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

De effecten van self-efficacy beliefs op inzet en prestatie kunnen zo groot zijn, dat ze grote verschillend in capaciteiten te niet doen. Ook eerder, grote verschillen (bijv tussen seksen) kunnen psychologisch gezien verdwijnen door hoge self-efficacy.

Hoge self-efficacy helpt ook het omgaan met (coping) teleurstellingen. Het is een factor het gevoel controle te hebben.

Effecten van self-efficacy op motivatieprocessen op gebied van:

Selectie van bijv, doelen. (hoog self-eff zoekt moeilijker doelen)

Inzet, doorzettingsvermogen en prestatie: grote bij hoog self-eff.

Emoties: hoog self-eff. beter stemming

Coping

Samenvatting View of Motivation

Mensen kiezen doelen of normen als basis voor hun handelen.

Weg naar het doel wordt gekozen op basis van verwachte uitkomsten

Uitkomsten worden geëvalueerd. Succes verhoogt self-eff. Geen succes verlaagt self- eff. Gemotiveerd blijven in je studie: hoge normen, positieve uitkomsten, gevoelens van trots geassocieerd met het halen van de normen, gevoel dat je capabel bent.

Growth and development Observational learning

Model: de persoon die geobserveerd wordt. Modeling: leren door model te observeren.

Modeling is breder begrip dan imitatie, maar niet zo complex/uitgebreid als identificatie.

Acquisition versus Performance

Een nieuw gedragspatroon kan zonder bekrachtigers worden geleerd (acquisition), maar of het ook uitgevoerd wordt (performance) hangt af van beloningen of straffen.

Bobo-experiment: gedrag kan wel worden verworvene, maar hoeft niet te worden uitgevoerd. De consequenties die het gedrag van het model voor het model hebben, beïnvloeden niet het aanleren van gedrag, wel het uitvoeren ervan.

Vicarious (plaatsvervangend) Conditioning

Niet alleen gedrag kan door observeren worden geleerd, maar ook emotionele reacties kunnen plaatsvervangend worden aangeleerd. (=vicarious conditioning)

Leren door observeren is niet een automatisch proces. Kinderen hebben zoveel modellen om uit te kiezen. Wanneer ze ouder worden kiezen ze zelf bewust modellen.

Learning delay of Gratification Skills (uitstel van beloning)

Kinderen kunnen leren een langer uitstel te tolereren, wanneer ze modellen hebben die dit voorleven.

Dit wordt beïnvloedt door welke consequenties dit verdragen van uitstel voor het model heeft. De vaardigheid van uitstel van beloning spelt een rol in de ontwikkeling van cognitieve en gedragscompetenties.

Kinderen die trainen in uitstel van beloning kunnen dit langer volhouden wanneer ze zich een plaatje van het gewilde voorwerp inbeelden. Wanneer ze het echte voorwerp inbeelden, willen ze het meteen.

Kinderen die al jong (preschool) een uitstel van beloning konden verdragen worden adolescenten met een hoge mate van cognitieve en sociale competenties.

Summary of the view of growth and Development

Individuen verwerven emotionele responsen en gedrag door observatie.

Door het ervaren van directe externe consequenties leren individuen beloning of straf te verwachten voor specifiek gedrag in een specifieke context.

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Door plaatsvervangende ervaring van consequenties leren individuen emotionele responsen zonder zelf de (pijnlijke) gevolgen direct te ervaren.

SCT staat tegenover de inzichten die vaste ontwikkelingsstadia en brede persoonlijkheidstypes benadrukken.

Mensen leren juist vaardigheden voor specifieke situaties. Mensen maken onderscheid tussen verschillende situaties en stemmen hun gedrag daarop af.